Aardwarmtebron in Koekoekspolder krijgt extra productieput

Aardwarmtebron in Koekoekspolder krijgt extra productieput

Het doublet dat nu in de Koekoekspolder aardwarmte levert aan een zevental telers wordt – als alles meezit – in 2020 uitgebreid met een extra productieput. Dit triplet zou circa 4,5 miljoen aardgasequivalenten extra kunnen besparen, bovenop de 5,5 miljoen aardgasequivalenten die worden bespaard met de huidige bron. “Wij hopen over een jaar te kunnen beginnen met boren”, zegt Radboud Vorage, projectdirecteur van Greenhouse Geo Power, vanaf zijn vakantieadres in het Toscaanse Larderello, waar al in 1911 voor het eerst in Europa elektriciteit werd geproduceerd met behulp van aardwarmte.

In de Koekoekspolder is al sinds 2012 een doublet actief, dat – na enkele aanloopproblemen – nu vijf jaar onafgebroken een stabiele hoeveelheid warm water levert van circa 74 graden, zegt Vorage. “De tweede productieput is nodig omdat verschillende telers in het gebied aan het uitbreiden zijn en graag voor de toekomst gebruik willen maken van duurzame warmte. Dit betreft de gebroeders Vahl met een biologische kwekerij, kwekerij Voorhof en Valstar van de Best Fresh Group, die ook een biologische tuin gaat beginnen.”

Businesscase is rond

Volgens de projectdirecteur is de businesscase inmiddels rond en liggen er verschillende aanbiedingen voor de financiering. De SDE+-subsidie voor het project is al twee jaar geleden aangevraagd en ook verkregen. Daarnaast doet de nieuwe put mee in het onderzoeksproject (HIPE) om te kijken of de productiviteit verhoogd kan worden door het toepassen van ‘Radial Jetting’.
Er is nog geen boorvergunning afgegeven voor het triplet, wel is er al een milieueffectrapportage gemaakt en een vergunningsconcept opgesteld, meldt Vorage. Ook is er een Seismische Risico Analyse (SRA) opgesteld, waaruit bleek dat er in het gebied geen sprake is van seismische risico’s. De SodM zal tijdens de vergunningprocedure advies afgegeven aan het Ministerie van Economische Zaken, waar de vergunningaanvraag zal worden behandeld.

Langetermijn plannen

De Koekoekspolder heeft als ambitie om in 2030 energie- en CO2-neutraal te worden. Voor dit doel is door alle telers in het gebied een stichting opgericht. In een ander deel van de polder is recent een nieuwe biomassacentrale (bio KKP) gebouwd, die momenteel wordt opgestart. Die zal nog eens 15 MW extra warmtecapaciteit aan het gebied toevoegen, naast de 10 MW uit het geothermie triplet. Op de biomassa zijn nu vier telers aangesloten met een eigen netwerk, zegt Vorage. “Het is onze ambitie om het netwerk van die vier telers in de toekomst te koppelen aan het geothermienetwerk. Geothermie kan dan de basislast van het gebied invullen en in het najaar, winter en voorjaar worden aangevuld met warmte van de biomassacentrale. Ook zijn er langetermijnplannen voor het afvangen van CO2 van de biomassacentrale. Verder is de stichting in gesprek met afvalcentrale Twence om te kijken of deze op termijn CO2 uit afvalverwerking aan de telers zou kunnen leveren. Het uiteindelijke doel is om het gebied kostprijsneutraal te verduurzamen.”

Tekst: Mario Bentvelsen

Ingebogen bladerpakket is motor van rozenplant

Ingebogen bladerpakket is motor van rozenplant

Door inbuigen van takken vangt een rozengewas meer licht. Hun bijdrage aan de totale fotosynthese is heel groot, blijkt uit promotieonderzoek van Ningyi Zhang aan Wageningen University. Het bladerpakket produceert veel suikers en ook de reflectie op het pakket beïnvloedt de prestatie van de rechtopstaande takken.

Het bladerpakket produceert extra suikers voor de rechtopstaande bloemstelen. Het ligt echter onderin het gewas en krijgt dus een beperkte hoeveelheid licht. Als je te veel ingebogen stelen aanhoudt, kan dat juist weer ten koste gaan van de suikerefficiëntie. Het is echter nooit onderzocht wat de optimale hoeveelheid is.
Een eerste stap naar optimalisatie is kwantificeren wat de bijdrage van het bladerpakket kan zijn. Dat heeft Zhang gedaan bij jonge rozenstruiken van het ras Red Naomi. Ze hield vier bloemstelen aan en varieerde het aantal ingebogen takken: nul, één of drie.

Langere zwaardere stelen

Het versgewicht van de bloemstelen was 28% hoger bij één ingebogen tak, en 47% bij drie. Ze werden langer en zwaarder. Voor het drooggewicht lag dit percentage nog iets hoger.
Uit nooit eerder uitgevoerde 3D-modelberekeningen blijkt dat alle extra suikers uit de ingebogen takken kwamen. De totale fotosynthese (suikerproductie) van de plant steeg met 73% bij één ingebogen tak en met 117% bij drie, ten opzichte van niet inbuigen. Uit metingen aan het eind van de proef bleek dat het gewicht van het bladpakket niet veranderd was. Het fungeert dus vooral als productielocatie van suikers voor de bloemstelen; het onderhoudt zichzelf wel, maar groeit niet.

Lichtreflectie

Dan is er nog een fenomeen om rekening mee te houden. Het bladpakket reflecteert veel verrood licht. Dat kaatst dus omhoog naar de bladeren van de bloemstelen. Het effect van dit licht van onderen is weinig onderzocht.
Zhang ontdekte dat dit de bladstand verandert: de hoek van de bladsteel nam toe. Hierdoor daalde het lichtonderscheppende vermogen iets als het gaat om reflectie vanaf naburige planten. Bij reflectie vanaf het eigen bladpakket zorgt de andere bladstand echter voor een toename van de totale fotosynthese van de hele plant.
Conclusie: inbuigen is zeer zinnig en verbetert de kwaliteit van het product.

Tekst en beeld: Tijs Kierkels

 

 

 

Deelname cursus HNT door nerineteler leidt tot onderzoek

Deelname cursus HNT door nerineteler leidt tot onderzoek

Als deelnemer aan de cursus Het Nieuwe Telen legde nerineteler Robbert de Wit de vraag neer wat de minimale en maximale lichtbehoefte van zijn gewas is, zodat hij het winterklimaat in zijn kassen binnen die randvoorwaarden kon optimaliseren. Zijn vraag resulteerde in een kleinschalig onderzoeksproject dat binnenkort op zijn bedrijf wordt uitgerold. “Mijn collega’s denken en kijken mee, want in een klein gewas als nerine vindt nauwelijks onderzoek plaats en ook zij zijn zoekende”, zegt de teler.

De Wit zegt al jaren op zoek te zijn naar het ideale winterklimaat voor zijn gewas. Hij teelt zonder groeilicht, maar denkt daar wel voordelen mee te kunnen behalen. Daar is echter nog geen ervaring mee opgedaan en praktijkonderzoek in het kleine bolgewas is al even schaars.

Langdurige knopaanleg, bladval in winter

“Ik hoopte op de cursus over Het Nieuwe Telen nieuwe handvatten te krijgen om mijn teelt naar een hoger niveau te brengen”, vertelt hij over de aanleiding om daaraan deel te nemen. “Nerine is een kort gewas met veel blad, waarvan in de winterperiode een behoorlijk deel weer wordt afgestoten. Wat het in de praktijk lastig maakt om de gevolgen van teeltmaatregelen op waarde te schatten, is de lange tijdsduur van de knopaanleg. Die bedraagt zo’n twee jaar. Als je het gewas op jaarbasis langer actief kunt houden, met name in de winterperiode, valt er mogelijk winst te boeken in een hoger bloeipercentage en/of betere bloemkwaliteit.”

Oplossingsrichtingen

Na vier of vijf cursusbijeenkomsten en met een vergelijkbaar aantal in het verschiet, zegt De Wit al redelijk wijzer te zijn geworden. “Het is nuttig om ervaringen uit te wisselen met telers van andere gewassen. In combinatie met de theoretische achtergronden geeft dat meer richting aan mogelijke oplossingen: intensiever schermen om de uitstraling ‘s nachts te beperken en het voorkomen van condensatie door ventileren en luchten.”
In gesprekken met naaste collega’s en adviseurs is hem gebleken dat nerine waarschijnlijk meer instraling kan verdragen dan gebruikelijk wordt gedacht. “Hoeveel kan een gewas hebben”, vraagt hij zich hardop af. “Zolang het gewas blijft en er geen bladverbranding ontstaat, kun je in principe meer licht toelaten en vindt er meer fotosynthese plaats. Daarnaast is het de bedoeling om een compacter gewas met minder bladparen te telen.”

Vraag leidt tot proef

De teler heeft dankbaar gebruik gemaakt van de mogelijkheid om onderzoeksvragen neer te leggen bij de cursusleiding. Zijn vraag is gehonoreerd met een kleinschalig onderzoeksproject, waarvan de precieze strekking nog moet worden vastgesteld.
De teler: “Vanuit Het Nieuwe Telen zal er in elk geval intensief gemeten gaan worden. Dit deel zal waarschijnlijk begeleid gaan worden door Peter van Weel en Hans Pronk. Deze week gaan we met collega’s, onderzoekers en adviseurs ook brainstormen over de vraag hoe we de winterteelt echt een paar slagen verder kunnen brengen. Groeilicht is daarbij één van de aandachtspunten.”

Jan van Staalduinen

‘Complexe techniek modern bedrijf vergt meer aandacht ondernemer’

‘Complexe techniek modern bedrijf vergt meer aandacht ondernemer’

In 2006 verplaatste paprikateler Ruud Duijnisveld zijn bedrijf van ’s Gravenzande naar Nieuwveen. Daarna volgden jaren van uitbreiding, onder andere in het nabijgelegen De Kwakel. Anno 2019 staat er 18 ha met alle bijbehorende technische installaties. Denk aan 2 ketels, 3 WKK’s, 3 waterunits, 90 oogst- en buisrailwagens en als nieuwste feature een grote sorteerinstallatie. Het is voor Duijnisveld bijna een dagtaak om al die techniek op de rit te houden. Hoe doen anderen dat? De teler ging te rade bij collega Roy van Vliet, locatiemanager Combivliet Middenmeer.

Ruud Duijnisveld teelt samen met zijn vrouw Wendy, neef Leo en diens vrouw Saskia rode paprika’s in Noord- en Zuid-Holland. Samen realiseerden ze nieuwbouw en verdelen de dagelijkse leiding. Natuurlijk staat de teelt centraal, maar zonder goedwerkende installaties kunnen de ondernemers geen kant op.
Als technische man wordt Ruud dan ook om de haverklap bij een storing of defect geroepen. Zeker nu twee maanden geleden zijn technische rechterhand vertrok. Hij zit in dubio: investeren in een nieuwe (dure) fulltime technische kracht of steeds maar weer de helpdesk van leveranciers en fabrikanten bellen.

“Roy, hoe managen jullie de techniek?”

Van Vliet: “Wij zijn daarin zo goed als zelfvoorzienend. Alleen al in Middenmeer hebben we een technische dienst van zeven man die dagelijks alle storingen verhelpt, reparaties uitvoert en ook het periodiek onderhoud verzorgt. We werken op alle locaties met dezelfde technische componenten en hebben er steevast de onderdelen op voorraad. Is er een pomp stuk, dan kunnen we hem zelf vervangen, reviseren en weer plaatsen. We hebben de klus vaak al geklaard voordat de leverancier in de auto is gestapt.”

“En hebben die zeven medewerkers daar een dagtaak aan?”

Van Vliet: “Jazeker, die vervelen zich geen moment. Anders dan in de paprika’s staat ons tomatenbedrijf nooit leeg. Er draaien constant installaties, dus er zijn constant storingen en kleine reparaties. Trouwens, de technische dienst voert niet alleen werkzaamheden uit, maar stuurt ook aan. Voor omvangrijke klussen huren ze personeel in. Je hoeft geen technisch expert te zijn om kabels te trekken of armaturen te installeren. Onlangs nog wilden we alle buisrailen halverwege het pad vast lassen. Blijkt een Poolse gewasmedewerker jaren als lasser te hebben gewerkt. Die kunde hebben we dus gelijk benut. Onze technische mensen regelen dat allemaal. Daar heb ik echt geen tijd voor. En op die manier hebben we grote delen van nieuwbouwprojecten in eigen beheer uitgevoerd. Een ingehuurde aannemer werkt ook met zzp’ers. Dat kunnen wij dus ook.”

“Waar vind je al die mensen?”

Van Vliet: “Dat blijft inderdaad lastig. Van het team dat we nu hebben, komen er maar weinig uit de tuinbouw. Hoeft ook niet. We hebben mensen lopen die eerder in een garage werkten of bij de marine vandaan komen. In onze advertentie vragen we ook duidelijk om technische expertise/opleiding. Gelukkig heeft de tuinbouw in Noord-Holland best een goed imago en krijgen we voldoende reacties op onze vacatures. Maar los van die zeven technische medewerkers, zoeken we binnen onze eigen organisatie ook constant naar mensen met meer inzicht. Zij die machines bedienen, moeten kleine storingen kunnen oplossen. Met een goede operator kun je zo veel tijd winnen. Denk alleen maar aan de dozenmachine. Als die stagneert, staan er zomaar vijftien man in de kas stil.”

“Precies. Het hele werkproces is middels installaties met elkaar verbonden. Lastig, want als één machine hapert, ontregelt het vaak de rest. Hoe voorkomen jullie dat?”

Van Vliet: “Er zullen altijd storingen blijven, maar door vooraf te investeren in goede mensen verklein je de nadelige effecten ervan. Dat zijn dan die operators waar ik het eerder over had. Je pikt ze er zo uit: medewerkers die een machine snappen. Daar steken we tijd in. We koppelen ze aan een meer ervaren medewerker en laten hem of haar ook meekijken bij onderhoud en reparaties. Zo laten we van de vier dekwassers en zes dozenmachines er eentje onderhouden door een externe, technische partij. Onze mensen staan er bovenop als die apparaten uit elkaar worden gehaald. Een soort interne opleiding. Want als ze de installatie door en door kennen, kunnen ze storingen snel oplossen. Een stickertje voor de sensor of een kistje scheef op de band, ze hebben het allemaal al eens meegemaakt en weten precies hoe je snel weer in bedrijf bent. Daar hoeven ze jou dan niet telkens voor uit de kas te bellen.”

“Maar je zal altijd zien: je beste operator wordt ziek of gaat verhuizen.”

Van Vliet: “Daarom lopen ze bij ons altijd dubbel. We zorgen dat mensen vervangbaar zijn. De ‘eerste’ operator heeft dus altijd een leerling bij zich die het vak leert en het desgewenst kan overnemen. We werken daarbij ook met ‘eigenaarschap’. Medewerkers hebben samen de verantwoordelijkheid over de eigen installatie. En natuurlijk wordt alles via een softwareprogramma netjes bijgehouden in een planning. Wie heeft er storingsdienst, wie gaat wanneer op vakantie enzovoorts. In diezelfde planning wordt ook het periodiek onderhoud meegenomen. Deze kun je bij wijze van spreken al een jaar van tevoren vastleggen. Heel belangrijk, daarmee verklein je weer de storingsgevoeligheid van je systemen.”

“Moderniseren is leuk, maar al die nieuwe systemen vragen nog meer technische aandacht van de ondernemer. Moet je daar dan wel in investeren?”

Van Vliet: “Los van innovaties, nieuwe installaties gaan haast altijd gepaard met kinderziektes. Let wel, die opstartproblemen horen erbij en nemen na verloop van tijd af. Geen systeem is hetzelfde, elk bedrijf heeft zijn eigen aanpassingen nodig. Dat maakt het trouwens ook vaak lastig voor externe monteurs, die moeten bij storingen eerst het systeem zien te doorgronden. Eigen mensen kunnen dat sneller. Maar zonder nieuwe techniek kunnen we niet. Onze bedrijven zijn te groot, te complex. Techniek is tegenwoordig net zo essentieel als de teelt voor een goede bedrijfsvoering. Daar moet je voldoende tijd en aandacht aan besteden. Als je niet meegaat met de ontwikkelingen, verlies je de race.”

“En nieuwbouw dan? Wil je dat goed begeleiden, dan ben je er zomaar een jaar uit.”

Van Vliet: “Dat is het dubbel en dwars waard! Zo’n kas moet zeker 25 jaar functioneren en je kunt maar één keer nieuw bouwen, dus zorg dat het goed is. Als ondernemer moet je juist daarom vanaf het begin actief meedenken en meebeslissen. Dat is inderdaad een dagtaak en je kunt het dan ook niet alleen. Zorg voor goede partners. Mijn eerste nieuwbouwproject deed ik samen met mijn vader, daar heb ik veel van geleerd. Voor het complex in Middenmeer heb ik een ervaren adviseur in huis gehaald. Hij heeft veel meer kennis dan ik en door samen te sparren proberen we tot de juiste oplossingen te komen. Natuurlijk kost dat een salaris, maar je hebt er op de lange termijn zeker profijt van. De kassen worden opgeleverd in blokken van 12 ha. Het eerste blok was veel puzzelwerk. De projecten daarna zijn eigenlijk kopieën van het eerste. Er zijn nu zeven blokken gerealiseerd.”

“Spijt van bepaalde keuzes?”

Van Vliet: “Nee, ik kan zo snel niks bedenken. Soms gaan de ontwikkelingen wel iets sneller dan voorzien en volgen investeringen kort of te kort op elkaar. In onze eerste belichte kas in Rilland installeerden we bijvoorbeeld armaturen van 600 watt. Deze hebben we heel snel moeten vervangen voor 1.000 watt. Dat is het gevaar van innovaties. Mede daarom zijn we wat voorzichtig met heel nieuwe technieken. Het moet zich echt bewezen hebben, willen we erin investeren. Ik zie collega’s soms vooraf bejubelde installaties er na twee jaar uitslopen. Dat risico willen wij niet lopen. Dat geldt ook voor nieuwbouw. Het is een behoorlijk oppervlak en daar is geen plek voor proefjes. De inrichting van onze bedrijfsprocessen bewijst zich dagelijks op de andere locaties, die ga ik dus niet veranderen. En doordat onze bedrijven zo op elkaar lijken, kunnen we techniek uitwisselen. Ook daar is dus over nagedacht.”

“Hoe zien jullie dan de rol van installateurs en leveranciers? Die zijn er toch niet voor niks?”

Van Vliet: “Zeker niet. Die zijn onmisbaar. We zijn in de basis dan wel zelfvoorziend, maar hebben niet alle specialistische kennis en materialen in huis. We bellen ze ook echt wel. Sowieso bij nieuwe installaties is het contact intensief. Naast de daadwerkelijke installatie helpen ze dan met de instellingen en begeleiden onze mensen vaak meerdere dagen. Goed werk. Maar als we vervolgens storingen en reparaties zelf kunnen afhandelen, beter! Want je weet, lekkages zijn altijd om 6 uur ’s ochtends en die pomp gaat geheid op tweede kerstdag stuk. Probeer dan maar eens iemand te pakken te krijgen. Plus, als er een extern iemand komt, moet je er ook zelf bij zijn om de deur te openen en alles aan te wijzen. Kost wederom veel tijd.”

“Duidelijk. We moeten iemand aannemen dus?”

Van Vliet: “Extra handjes voor de techniek is zeker geen luxe. Nogmaals, op onze complexe bedrijven zijn installaties net zo belangrijk als de teelt. Natuurlijk is jullie situatie niet gelijk aan de onze. Maar elk bedrijf ondervindt storingen en telkens weer een leverancier langs laten komen, kost ook geld. Ik zou dus zeker eens uitrekenen hoeveel een technisch medewerker kost en oplevert. Op de korte en langere termijn. Want zijn er geen storingen, dan kan die medewerker bijvoorbeeld je kas en installaties netjes onderhouden wat op de langere termijn weer dure reparaties voorkomt. Een handige tweede man, geeft in ieder geval rust. Voor jou als ondernemer en in de continuïteit van je bedrijf.”

Samenvatting

De voordelen van groei en schaalvergroting worden regelmatig belicht, maar volgens paprikateler Ruud Duijnisveld uit Nieuwveen heeft uitbreiding van areaal en aantal locaties ook een keerzijde: kennis en onderhoud van het essentiële machinepark. Stilstand van WKK of sorteerinstallatie is funest, maar hoe verklein je de risico’s? Als ervaringsdeskundige gaat tomatenteler Roy van Vliet van Combivliet in op de belangrijkste knelpunten die zijn collega aankaart.

Tekst: Jojanneke Rodenburg, beeld: LD Photography

 

Voorspellen effect van licht door analyse genexpressie

Voorspellen effect van licht door analyse genexpressie

Lichtintensiteit, spectrum en daglengte beïnvloeden de groei en ontwikkeling van planten. De effecten hiervan zijn zichtbaar voor het blote oog. Ze zijn het resultaat van een complex mechanisme dat plaatsvindt binnen de planten.

Het meten van die veranderingen binnen de planten maakt het mogelijk om effecten van lichtbehandelingen in een vroeg stadium te evalueren en te voorspellen. Licht wordt waargenomen door planten via fotoreceptoren (zoals fytochromen voor rood en cryptomen voor blauwe spectra). Zodra die receptoren zijn geactiveerd of gedeactiveerd, induceren of onderdrukken ze de expressie van genen die processen aansturen, zoals strekking en bloeisnelheid.

In een project dat wordt gefinancierd door Kas als Energiebron, gaan we moleculaire technieken (qPCR) gebruiken om veranderingen in genexpressie te volgen om het effect van lichtbehandeling te voorspellen. We beginnen met tomaat en verrood licht om de aanpak te optimaliseren en te valideren. Daarna wordt de aanpak getest in chrysant. Het voordeel van deze techniek is dat we tegelijkertijd het effect van licht op de fysiologie kunnen meten, maar ook op plantweerbaarheid.

Tekst: Emilie Fradin

De 50 Nederlandse telers bij Decorum krijgen Duitse collega

De 50 Nederlandse telers bij Decorum krijgen Duitse collega

Decorum Plants & Flowers is een telerscoöperatie met meer dan 50 leden. Met ingang van 1 september krijgen ze voor het eerst een buitenlandse teler als collega, namelijk Eurofleurs-Elbers uit het Duitse Kevelaer. Deze teler is gespecialiseerd in de teelt van Calluna en Erica gracilis.

De leden van de telersvereniging brengen samen meer dan 4.000 producten op de markt. De vereniging staat voor kwaliteit, duurzaamheid en innovatie. Hun leden zijn zorgvuldig geselecteerd, met één doel: een breed assortiment planten en bloemen onder één merk van de hoogste kwaliteit. Met het toetreden van de Duitse teler wil de telersvereniging meer aandacht vestigen op tuinplanten.

Eurofleurs-Elbers teelt Calluna en Erica in diverse potmaten op een oppervlakte van 40 ha in de vollegrond en 2,2 ha onder glas. Eigenaresse Ann Elbers: “Ik kwam in de markt veel Decorum producten tegen, dit wekte mijn interesse aangezien ik mijn producten graag onder een bekend merk wil verkopen. Daarnaast denk ik dat samenwerking met andere telers mij alleen maar verder kan helpen in mijn ondernemerschap.”

Stikstofemissies dreigen nieuwe bouwprojecten te verstikken

Stikstofemissies dreigen nieuwe bouwprojecten te verstikken

Een groot deel van de veehouderij in Nederland zit ‘op slot’ vanwege hun stikstofdepositie. Uitbreiden is dan, op basis van de Wet natuurbescherming, niet mogelijk in verband met Natura 2000-gebieden. Maar ook (woning)bouwprojecten, (water)wegen, dijken en glastuinbouwbedrijven worden getroffen door deze wetgeving. Dit geldt ook voor bedrijven in glastuinbouwconcentratiegebieden.

Sinds de Raad van State in mei een vernietigend oordeel heeft geveld over de Nederlandse stikstofaanpak, zitten veel bouw- en infrastructurele projecten in onzekerheid. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) maakte het mogelijk om te bouwen of uit te breiden, ondanks nabij of verder weg gelegen natuurgebieden die vallen onder Natura 2000. De stikstofdepositie die hierbij optrad kon worden gecompenseerd met maatregelen op de lange termijn. Die compensatie was volgens de Raad van State echter in strijd met de Europese regels en daarmee is de PAS van tafel.

Wegvallen PAS

Het wegvallen van de PAS heeft grote gevolgen. Volgens ABN Amro is de komende vijf jaar de bouw van zo’n 5 miljard euro aan woningen en 9 miljard euro aan infrastructuur onzeker geworden. Zo werd in juli al bekend dat de geplande verbreding van snelweg A27 door het Utrechtse Amelisweerd voorlopig niet door kan gaan door de stikstofuitspraak. Ook de woningbouw loopt gevaar, want bouwmachines en de auto’s van de bewoners veroorzaken stikstofdepositie. Vorige week zette de Raad van State nog een streep door de bouw van 470 woningen in Roermond. Omdat Nederland 166 Natura 2000-gebieden telt die over het land verdeeld zijn, liggen nieuwe woningen al snel in de buurt van zo’n gebied.

Rekenmodel

Telers met een verwarmingsketel, WKK, biomassa- en/of aardwarmte-installatie stoten NO3 en/of NH3 uit. Al deze installaties kunnen een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. Uit berekeningen blijkt dat bovengenoemde installaties invloed kunnen hebben op natuurgebieden tot op ruim 40 kilometer afstand. Nu de PAS is komen te vervallen is feitelijk elke toename aan stikstofdepositie vergunningsplichtig, zegt Henk van Koppen, Adviseur Vergunningen van AAB. “Probleem daarbij is dat er nog geen nieuw rekenmodel is. Dit nieuwe model zou oorspronkelijk op 8 augustus gereed zijn, maar het is er nog steeds niet.” Het nieuwe rekenmodel is nodig om een vergunning te kunnen verlenen. Provincies houden daarom voorlopig alle vergunningsaanvragen af.

Impasse

In de impasse die nu ontstaan is, kijken veel partijen terug naar wat gangbaar was voordat het PAS in 2015 in werking trad. Dat was het zogeheten extern salderen, oftewel buiten je bedrijf naar stikstofruimte zoeken, bijvoorbeeld door een kippenboerderij die stopt over te nemen. Hoewel deze route al verkend wordt, ziet het er niet naar uit dat dit op korte termijn al gaat gebeuren. Ook het zogeheten intern salderen, waarbij de uitstoot wordt verkleind door een emissiebeperkende maatregel, kan nu niet worden gebruikt om uit te breiden.
Voor alle bouwprojecten die stikstof uitstoten, moet sinds de uitspraak aangetoond worden dat die geen effect hebben op ruim 118 natuurgebieden die last hebben van te veel stikstof. Als dat effect er wel is, moet de zogeheten ADC-toets doorlopen worden. ADC staat voor Alternatief, Dwingend en Compensatie. Eerst moet er een alternatief voor het project gevonden worden. Is dat er niet, dan wordt bekeken of er een dwingend algemeen belang is om het project door te laten gaan. Als er zo’n belang is, dan moeten er maatregelen genomen worden om de stikstofuitstoot te compenseren. De kans dat uitbreidende glastuinders een ADC-toets doorstaan is nihil, zegt Van Koppen.

Tekst en beeld: Mario Bentvelsen

 

‘Hybride belichting zorgt jaarrond voor kwaliteitsvolle tomaten’

‘Hybride belichting zorgt jaarrond voor kwaliteitsvolle tomaten’

Een generatievere plant, 10 tot 12 procent meer productie en jaarrond dezelfde brixwaarden als in de zomer. Dat zijn voor de Vlaamse tomatenteler Tom Lefevre de belangrijkste resultaten van een 1,5 hectare grote proef met hybride belichting bij Hortipower, één van de productielocaties van Tomeco in Merksplas (B). Dankzij de watergekoelde LED-armaturen van Oreon kan hij nog langer belichten.

De proef met hybride belichting duurt nu bijna een jaar. “We zijn daar zeker tevreden mee”, zegt Lefevre enthousiast. “Wij telen rassen die neusrotgevoelig zijn, en in onze zoektocht om onze impact op het milieu en de omgeving te verminderen willen wij meer gaan schermen. Ook willen wij jaarrond duurzaam geteelde, smaakvolle tomaten kunnen aanbieden aan onze klanten.”

Meer licht met hetzelfde vermogen

Lefevre belicht nu vier jaar zijn tomaten, op een areaal van 6,5 hectare, waaronder San Marzano en mini-pruimtrostomaten, op verzoek van zijn klanten. Dat zijn vooral Belgische retailers (Delhaize/Carrefour/Colruyt), die dagelijks verse tomaten afnemen, verpakt en onverpakt. Ook wordt er aan enkele buitenlandse retailers geleverd, via veiling Hoogstraten.
Vorig jaar werd op 1,5 hectare een deel van de SON-T lampen verwisseld met de watergekoelde LED-armaturen van Oreon. Waar eerst 8 SON-T lampen per 2 tralies hingen, hangen nu om en om 5 SON-T en 5 LED-lampen, met hetzelfde elektrische vermogen. Een energiebesparing van 40% op lampniveau. “Wij hebben gekozen voor vijf lampen per tralie (van 8 bij 5 meter), waarvan 50% LED en 50% SON-T, in totaal 225 µmol/m²/s. In de winter draaien de lampen continu. In het voorjaar schakelen we eerst de SON-T af en tot op vandaag (27 juni 2019/red.) draaien de LED-lampen iedere morgen nog een stukje. Als de intensiteit van natuurlijk licht meer dan 300 Watt/m² is schakelen we de LED-lampen uit. Zodra de lichtintensiteit weer afneemt draaien we de LED-lampen terug aan.”

Jaarrond smaakvolle tomaten en vitalere planten

De proef resulteert tot nu toe in een generatievere plant met een kortere uitgroeiduur, waardoor de tomaten tien dagen sneller rijp zijn en 10 tot 12 % meer produceren. Het gaat hierbij om pruimtomaten, van het ras Volantis. Nog belangrijker is de smaak, zegt Lefevre: “Wij meten wekelijks de brixwaardes van onze tomaten, waardoor we de smaak kunnen volgen. Wij zien dat we goede brixwaardes halen onder de LED-lampen en dat wij zelfs naar dezelfde waardes kunnen gaan als in de zomer. Dus wij zijn ervan overtuigd dat wij met LED qua smaak niet hoeven in te boeten ten opzichte van natuurlijk licht. Doordat wij LED hebben geïnstalleerd kunnen wij de planten beter in evenwicht houden en de smaak optimaal houden.” Hij zegt dat de tomaten onder hybridebelichting niet alleen generatiever en productiever zijn, maar ook vitaler: “Wij zien ook vitalere planten, waardoor de planten minder stressgevoelig zijn en beter resistent zijn tegen bepaalde ziektes. Waardoor wij toch minder middelen hoeven toe te passen.”

‘LED zit in een grote evolutie’

Wat het lichtrecept betreft ging Lefevre af op het advies van Oreon. Dat geldt ook voor het hybride systeem, dat Voshol installeerde. “LED zit in een grote evolutie. Zo zijn er nieuwe LED-modules op de markt die al 10% efficiënter zijn. Ook zullen we moeten uitzoeken welk ras beter reageert onder LED. Wij telen drie soorten pruimtomaten, waaronder klassieker Romared, maar ook een San Marzano-tomaat en een mini-pruimtomaat. Wij zien dat ieder ras toch weer anders reageert onder LED of onder een ander teeltsysteem. Daarom moeten we nog zeker verder zoeken naar de juiste combinatie. Of we naar vier of vijf armaturen moeten gaan, afhankelijk van welke plantingen. Dat is nog een hele zoektocht.”

Minder energie input, meer lichtopbrengst

Volgens Dick van Oorschot, technisch adviseur van Oreon, hebben de nieuwste lampen van Oreon nog meer lichtopbrengst dan de versie die bij Hortipower hangt. “Bij Hortipower hangt versie 2.2, maar wij zitten inmiddels op versie 3.0. De LED-lampen worden steeds efficiënter, evenals de chips, waardoor de kosten per µmol steeds verder dalen. Dit maakt de overstap naar LED-verlichting voor veel telers steeds interessanter. Wij denken dat de LED-lampen uiteindelijk meer licht zullen opbrengen dan de huidige SON-T lampen. Met LED kunnen telers met dezelfde energie-input meer lichtopbrengst in de kas realiseren. Ook kunnen telers binnen hun huidige WKK-vermogen meer hectare belichten.”
Het koelwater van de LED-verlichting kan op verschillende manieren elders worden (her)gebruikt. Zo wil Lefevre het koelwater gebruiken om het gietwater in de winter op temperatuur te houden, omdat de silo’s buiten staan. “Het koelen van het systeem is om meerdere redenen belangrijk. Het verlengt niet alleen de levensduur van de LEDs, maar je kan de warmte in de kas afvoeren naar buiten of op andere plaatsen in de kas weer gebruiken, waardoor je op warmere dagen toch kan belichten.”

Voordelen van watergekoelde LEDs

Van Oorschot denkt dat hybride belichting ideaal is voor tomaten: “Met de SON-T heb je stralingswarmte die de plant volgens telers nodig heeft. Met LED kun je extra lichtopbrengst zonder extra warmte realiseren. Dit systeem werkt het beste wanneer de procesregeling compleet wordt opgenomen in de klimaatcomputer, zodat alle inkomende en uitgaande temperaturen bewaakt en geregeld kunnen worden.” Hybride belichting is niet alleen interessant voor tomatentelers, maar ook in de sierteelt, zachtfruit en bladgewassen, zegt Van Oorschot. “De resultaten in deze teelten zijn zonder uitzondering goed.”
Lefevre vindt zijn resultaten opwegen tegen de investering: “In onze zoektocht naar LED-belichting hebben we verschillende leveranciers bekeken en uiteindelijk voor Oreon gekozen, vanwege het watergekoelde model. Wij geloven in een langere levensduur dankzij de koeling en een hogere efficiëntie van de lamp, waardoor we duurzamer bezig zijn. De ambitie van Tomeco, waar al onze productiebedrijven onder vallen, is om onze klanten verder jaarrond te kunnen leveren. Dus zijn we steeds op zoek naar nieuwe mogelijkheden en betere teelttechnieken en LED is zeker één van onze prioriteiten. Dat willen wij verder uitspitten, zodat we dat kunnen uitrollen op onze andere bedrijven.”

Tekst en foto’s: HortiLeads/Mario Bentvelsen, video: BrokxMedia

 

 

 

‘Reparatiecapaciteit is volstrekt onvoldoende in Noord-Holland’

‘Reparatiecapaciteit is volstrekt onvoldoende in Noord-Holland’

De derde windhoos van dit jaar in de kop van Noord-Holland leidt tot chaotische taferelen tussen (ver)huurders, verzekeraars en financiers, stelt Bert Wolters van Wolters Kassenbouw. “Er is hier een enorm gebied aan kassen, maar de reparatiecapaciteit is niet meegegroeid. De Wieringermeer heeft tot nu toe geen schade geleden, nog niet. Het gaat er niet om of het komt, maar wanneer. Dan is de ramp natuurlijk niet te overzien.”

Vrijdag 9 augustus trok in de avond een windhoos over glastuinbouwbedrijven in de kop van Noord-Holland. Dit keer sneuvelden ‘enkele duizenden ruiten’ van glastuinbouwbedrijven in Hem en Oosterleek. Vooral PanAmerican Seed moest het ontgelden: een gevel van 80 meter lengte werd uit de kas gerukt en het kasdek raakte beschadigd. Ook de schade aan jonge bloeiende pot- en perkplanten is aanzienlijk. Ook andere bedrijven in Seed Valley die zijn getroffen zijn van veredelaars, waaronder drie grote en enkele kleinere.

Onvoldoende reparatiecapaciteit

Bij grote calamiteiten is er niet voldoende reparatiecapaciteit voorhanden, stelt Wolters. “We zijn het enige reparatiebedrijf in deze regio met een beetje aanzien, wel met een groot netwerk aan reparateurs in het Westland. Maar op de bedrijven zelf is praktisch geen reparatiemateriaal of glas voorhanden om schade te repareren. Nu is de schade relatief beperkt en kunnen wij dankzij onze database glas bij andere telers weghalen. Maar als ik het moet bestellen bij de fabrikant zijn we gauw twee tot drie weken verder. Voor veiligheidsglas is dat zelfs vier tot vijf weken.”
Daar komt nog bij dat verzekeraars vaak niet direct kunnen vertellen of een schade onder de verzekering valt of niet. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat veel kassen zijn gehuurd. “Maar er wordt wel van mij verwacht dat de kas zo snel mogelijk wordt hersteld.” De afhandeling van de vorige windhoos in Heerhugowaard, zeven weken geleden, is net achter de rug, vervolgt Wolters. “Dit is al de derde windhoos van dit jaar. Nu is de schade nog redelijk binnen de perken gebleven, maar er is de laatste jaren in de regio veel bijgebouwd. Als de Wieringermeer en Andijk door storm, hagel of een windhoos wordt getroffen, is de ellende straks niet te overzien.”

Veredelaars lopen grote risico’s

Wolters vindt dat tulpenbroeiers en veredelaars grote risico’s nemen met hun dure teelten, als er op hun bedrijven geen reparatiemateriaal of glas voorhanden is, zoals nu. Ook adviseert hij om van tevoren goed uit te zoeken wat voor verzekering je precies hebt. “Ik heb het hele weekend bij klanten aan tafel gezeten om uit te zoeken welke schade wordt gedekt. Wij worden als reparateur verplicht om de kas in de oude staat en stormvast op te leveren. Soms zijn er echter onvoorziene omstandigheden. Zo moest een dek van een oude kas als gevolg van de windhoosschade deels worden vernieuwd. Kosten: 15.000 euro. Dat viel volgens de verzekeraar niet onder stormschade, maar onder renovatie et cetera.”

Tekst: Mario Bentvelsen

Dit seizoen nog meer aandacht voor gebruik warmtepomp

Dit seizoen nog meer aandacht voor gebruik warmtepomp

Het project ‘Totaalconcept HNT, toegepast in de belichte tomatenteelt’ bij het Delphy Improvement Centre in Bleiswijk, gaat het tweede jaar in. “Het energievraagstuk krijgt dit jaar nog meer aandacht”, meldt onderzoekster Lisanne Helmus-Schuddebeurs. “We willen de warmtepomp optimaal inzetten.”

Op 7 augustus is de nieuwe proef van start gegaan. Een week later kwam de begeleidingscommissie voor het eerst bijeen. Net als vorig jaar is gekozen voor het ras Merlice, geënt op de onderstam Maxifort.
Afgelopen jaar zijn de planten geteeld in kunststof boxen met een houtvezelmat. Dit seizoen staat de helft van de planten op deze boxen, de andere helft op steenwol. De proefnemers willen namelijk een duidelijker beeld krijgen van de invloed van het teeltsysteem op de gewasgroei.
De afdeling heeft ultra low haze glas met dubbele AR-coating en drie klimaatschermen; een energiescherm, een diffuus scherm en een lichtuitstootscherm. De belichtingsinstallatie bestaat uit 115 µmol/m²/s SON-T-lampen, 52 µmol/m²/s LED-toplicht, aangevuld met 60 µmol/m²/s tussenlicht.

Energiedoelstelling aangescherpt

In Onder Glas van juni/juli 2019 liet de begeleidingscommissie al doorschemeren dat het eerste proefjaar veel is geleerd. De laatste oogst vond plaats op 19 juli, waarbij de productie uit kwam op 93 kg/m².
Afgelopen seizoen kwam het totale energieverbruik uiteindelijk op 30 m³/m², waarvan twee derde afkomstig was van de warmtepomp. Om een stap verder te gaan naar een fossielvrije teelt is de doelstelling dit jaar aangescherpt, namelijk 80 tot 90% via de warmtepomp. Helmus: “We hebben het actief ontvochtigingssysteem nog niet optimaal kunnen inzetten om de gewasreactie goed te meten. In dit tweede jaar willen we weer een stap verder komen met deze klimaatstrategie, met name om meer inzicht krijgen in de interactie tussen klimaat en gewas. Als je dat goed begrijpt kun je de teelt beter beïnvloeden.”
Dit gezamenlijke project van Delphy, Groen Agro Control en Wageningen University & Research komt tot stand met een bijdrage van Kas als Energiebron. De participanten zijn Saint-Gobain Cultilene, Hortilux, Hoogendoorn Growth Management, Svensson, De Ruiter, 2Grow en Wireless Value.

Tekst en beeld: Pieternel van Velden