De mediterrane roofwants Nesidiocoris bezorgt vooral tomatentelers schade en overlast. Gewasbeschermingsspecialist Joris Mulders van Delphy Improvement Centre is er extra alert op, omdat ziekten en plagen het verloop van de proeven in het Bleiswijkse kassencomplex kunnen verstoren. Hij licht toe hoe hij de geïntegreerde, fossielvrije tomatenteelt gezond houdt.

In oktober ging de proef met de belichte, fossielvrije tomatenteelt het derde jaar in. Het is het eerste seizoen dat de planten onder 100% LED toplicht staan. Joris Mulders, die binnen het onderzoekscomplex de gewasbescherming onder zijn hoede heeft, noemt het weren van ziekten en plagen uitdagend.
“We kunnen ons niet permitteren dat proeven als gevolg van ziekten en plagen mislukken”, vertelt hij. “Bovendien zijn er zoveel afdelingen en verschillende gewassen aanwezig, dat je daar voortdurend rekening mee moet houden. Wat dat betreft staat een teelt hier nooit op zichzelf.”
De meeste plagen zijn volgens de expert goed te beheersen met combinaties van natuurlijke vijanden, mass-trapping, feromoonvallen en enkele producten van natuurlijke oorsprong. “Met bladluizen en spint hebben we in tomaat meestal weinig problemen, mede omdat veel andere gewassen voor deze plagen aantrekkelijker zijn. We zijn het meeste gespitst op Nesidiocoris en wittevlieg.”

Roofwants Nesidiocoris

De Mediterrane roofwants Nesidiocoris (‘Nesi’) prikt ook bloemen en vruchtjes aan, wat aanzienlijke schade veroorzaakt in vruchtgroenteteelten. Vooral tomatentelers hebben er de laatste jaren flink last van. Een adequate biologische bestrijder is niet voorhanden en chemische bestrijding is lastig, omdat de nuttige, breed toegepaste roofwants Macrolophus dan niet kan worden ontzien.
“De eerste zorg is dat je schoon uit de startblokken komt”, aldus Mulders. “Een week na het planten beginnen we daarom met chemische bestrijding, die erop is gericht om de levenscyclus van de wants te doorbreken. Ik heb goede ervaringen met Gazelle, dat ik twee keer achter elkaar inzet tegen adulten en nimfen. Drie weken later, wanneer alle eitjes zijn uitgekomen maar er nog geen nieuwe volwassen wantsen zijn die zich hebben kunnen voortplanten, volgt er een ronde van twee behandelingen met Sivanto. Daar zijn we de winter goed mee doorgekomen. Ik heb nog geen Nesi gezien, waardoor we eind januari zonder problemen konden starten met het inzetten van biologische bestrijders tegen andere plagen. In het vorige seizoen waren er bij aanvang wel wantsen aanwezig, die we met deze strategie goed hebben bestreden.”

Bestrijding wittevlieg

Wittevlieg wordt primair bestreden met een standing army van Macrolophus – een zeer gewaardeerde alleseter – en de sluipwespen Encarsia en Eretmocerus, aangevuld met vanglinten. “De linten vangen veel weg en zou ik niet willen missen, voegt de gewasbeschermingsspecialist toe. “Vanaf het voorjaar zet ik ook de schimmelpreparaten in. Voor Mycotal moet het wat vochtiger zijn, BotaniGard doet het ook goed wanneer het wat droger is. Die houden de populatie binnen aanvaardbare grenzen.”
Tot op heden lukt het Mulders ook om Tuta absoluta met feromoonvallen binnen de perken te houden. Galmijt bestrijdt hij met zwavelen in ruime intervallen. “Tijdens de opbouwfase van Macrolophus blijf ik er echt vanaf en wanneer je zwavelt kun je ook geen Mycotal of BotaniGard toepassen. Je moet dus soms wat laveren en je afvragen waar de prioriteiten liggen. Vrijwel alles wat ik doe – inclusief de voornemens – worden overigens besproken met de teeltmanager en de BCO-leden. Daar leren we allemaal van.”

Tekst: Jan van Staalduinen