De meeste chrysantentelers hebben inmiddels hun strijdplan gemaakt hoe zij dit jaar de plagen gaan bestrijden. Met het steeds smallere middelenpakket en beschikbare middelen die maar 1 of 2 keer per jaar mogen worden toegepast is het in een kas, waarin jaarrond gewas groeit, een zeer grote uitdaging om dit waterdicht te krijgen.

De eerste stap in de strategie is dan ook: voorkomen is beter dan genezen. Steeds meer bedrijven kiezen ervoor om insectengaas in de luchtramen te installeren. Plagen als mineervlieg, rups, wants en luis worden het hiermee een stuk moeilijker gemaakt om via deze weg de kas in te komen. De ervaringen zijn over het algemeen positief, al valt het op dat met name luis nog makkelijk tot ontwikkeling kan komen.

Stekmateriaal controleren

Een andere potentiële invalspoort is bij chrysant het stekmateriaal, dat vrijwel dagelijks vers wordt binnengebracht. De stekleveranciers doen hun uiterste best om schoon materiaal, zonder te veel residu op de tuin te brengen. Toch lukt dat niet altijd. Snelle en duidelijke communicatie over de plaagdruk door de leverancier is van essentieel belang om indien nodig snel in te kunnen grijpen. Dit kun je controleren door elke week een stekbak in een gaaskooi te zetten. Dit heeft zeker meerwaarde.
Het verhogen van de plantweerbaarheid tegen plagen staat de laatste jaren sterk in de belangstelling. Vaak is dan het verlagen van de stikstofgift en het toedienen van een mix van aminozuren één van de pijlers. Hierbij moet erop worden gelet dat de stikstofgift niet te ver wordt afgebouwd, anders kost dit groei.
En uiteraard blijft goed scouten een hele belangrijke bouwsteen in de strategie. Gestructureerde gewaswaarnemingen maken het mogelijk om plaatselijk in te grijpen en vroegtijdig infectiehaarden de kop in te drukken met minder inzet van middelen.

Trips en spint

Voor de tripsbestrijding kiezen de meeste telers voor de inzet van T. montdorensis in combinatie met voedermijten. De afgelopen jaren zien we dat er wel steeds meer inzet nodig is om de tripsdruk laag te houden: 2.500 roofmijten per m² per teelt is al de basisinzet op veel bedrijven.
Een aantal bedrijven behaalde vorig jaar goede resultaten met het toepassen van linten met A. cucumeris, met bijvoeren van voedermijten en een lage dosering T. montdorensis. Er zijn ook bedrijven die dit jaar weer kiezen voor Orius (met ondersteuning van de bankerplant Lobularia) als basisbestrijder van trips, of indien de trips oploopt. Zolang de plaagdruk van andere insecten laag is en er weinig correctiemiddelen nodig zijn, blijkt dit een goede optie.
Spint wordt al jaren succesvol bestreden met P. persimilis, beter dan met chemische middelen. Het is wel van belang om in het vroege voorjaar hogere doseringen (12-18 stuks/m²) aan te houden en dit over minimaal twee keer te verdelen.

Mineervlieg, luis en wants

Op een aantal bedrijven is de mineervliegdruk op dit moment al opvallend hoog. Een vroegtijdig (zeer) intensieve inzet van Diglyphus isaea is dan noodzakelijk, omdat het middelenpakket zeer beperkt is. Controle van de levensvatbaarheid van de sluipwesp vanuit de flesjes, de mate van parasitering en scouten op stippen en gangen, is heel belangrijk om grip te houden op het bestrijdingseffect.
Luizen en wantsen zijn de plagen waarvan we de komende jaren de grootste problemen verwachten vanwege het beperkte middelenpakket. Zeker nu luis ook met insectengaas in de luchtramen nog makkelijk blijkt voor te komen. Tegen luis zijn een aantal biologische bestrijders beschikbaar die haarden kunnen aanpakken, zoals larven van de galmug Aphidioletes, gaasvliegen (Chrysoperla), zweefvliegen en lieveheersbeestjes (Propylea), die al wat langer of recent getest werden in chrysant. Sluipwespen (Aphidius colemani/ervi) zoeken meer gericht naar luizen. Toch blijkt het nog heel moeilijk om met een sluitende strategie de laatste luis te pakken.
Misschien kan een nieuwe ontwikkeling, het uitzetten van spinnen, een belangrijke bijdrage leveren om tot een sluitend strijdplan te komen. Komend jaar zal duidelijk worden wat voor mogelijkheden dit biedt.

Tekst: Paul de Veld, Delphy; beeld Wilma Slegers