Lichtbesparing vrijwel niet mogelijk zonder in te leveren op kwaliteit

Lichtbesparing vrijwel niet mogelijk zonder in te leveren op kwaliteit

De troschrysant heeft een enorme honger naar assimilaten. Dat stellen onderzoekers die de snijbloem tot in detail onder de loep namen op zoek naar de optimale klimaatomstandigheden voor groei, kilo’s, verdamping en kleur in alle seizoenen met verschillende plantdichtheden en teeltduur. Conclusie: lichtbesparing is vrijwel niet mogelijk zonder in te leveren op kwaliteit.

Het was tien weken lang ambachtelijk meetwerk. Met twee man liepen ze vier dagen in de week door het proefveld in de kas. Planten afknippen, het lospeuteren van bladeren, stengels en knoppen. Vervolgens alle plantorganen wegen, in de droogstoof en weer wegen om de biomassa te kunnen bepalen. En dat was nog maar een onderdeel van de proef. “Ik heb het in het begin ook meteen aangegeven”, zegt Sander Hogewoning van Plant Lighting die de proef begeleidt, samen met collega Stefan van den Boogaart. “Het wordt een proef van lange adem.”

Losse eindjes

Eind 2016 benaderde de gewascoöperatie Chrysant van Glastuinbouw Nederland hem met de vraag of hij de optimale klimaatomstandigheden kon bepalen voor groei, kilo’s, verdamping en kleur in alle seizoenen met verschillende plantdichtheden en teeltduur. “Dat is een complexe vraag. Het vergt detailonderzoek met heel veel metingen. Dat vraagt commitment voor de lange termijn.”

Dat commitment en daarmee de financiering kwam er, van de telers en van Kas als Energiebron onder de voorwaarde dat er wel enig zicht op energiebesparing moest zijn. De onderzoekers zijn daarom begonnen met een voorstudie. Met kennis uit de literatuur hebben projectpartners EcoCurves en Photosyntax een nog niet volledig geparameteriseerd model opgezet. Dat gaf zicht op mogelijke energiebesparing gedurende een gedeelte van de teelt, maar het gaf ook nog veel losse eindjes.

Balans tussen source en sink

Een van de complexe dingen was het feit dat de chrysant een gedetermineerde groei kent. Dat betekent dat de vraag naar assimilaten varieert gedurende de groei. In het ene groeistadium heeft de plant veel meer suikers nodig dan in het andere. Die vraag naar suikers (sink) is niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming met de productie van suikers via de fotosynthese (source).

“Bij een plant met een ongedetermineerde groei, zoals een trostomaat, is het makkelijker”, zegt Hogewoning. “Wanneer er een tros afgaat, komt er ook een bij. De vraag naar assimilaten is in balans. Bij de chrysant werkt het niet zo. Die begint met een stekje, dat gaat wortelen, er ontstaan jonge bladeren, een knop, en dan is de groei een tijdje geremd. Wij gingen ervan uit dat in die periode, rond dag 40 na planten, de vraag naar assimilaten lager is. Vervolgens begint de plant zijtakken te maken, waardoor de vraag naar assimilaten weer sterk stijgt. De balans tussen source en sink varieert dus.”

Virtuele kas

Hogewoning en de betrokken partners wilden weten: is er, wanneer de vraag naar assimilaten laag is en de plant dus suikers over heeft, kans op energiebesparing? Hoeft de teler op dat moment minder te belichten? En wat doet de plant met de suikers die hij over heeft? Worden die als reserves opgeslagen, en zo ja, waar in de plant en zijn ze ook beschikbaar als de plant ze in een later stadium kan gebruiken?

EcoCurves en Photosyntax namen het modelleerwerk voor hun rekening met behulp van de Virtuele Kas, die zij in de afgelopen twaalf jaar hebben ontwikkeld. Dit is een geïntegreerd rekenprogramma, waarin kasklimaat, fotosynthese, groei en gewasontwikkeling tegelijkertijd en in samenhang worden gesimuleerd.

Opvallend plantgewicht

Van den Boogaart dook de kas in bij Botany, waar twintig proefveldjes met twee rassen troschrysanten, Bacardi en Baltica, werden aangelegd met vijf verschillende plantdichtheden en bij twee temperaturen (18 en 22ºC). Daar voerde hij het ambachtelijk handwerk uit. Hij bracht de fotosynthese in kaart door op verschillende planthoogtes metingen te verrichten en in verschillende plantstadia. Daarnaast bekeek hij hoe de bladeren reageerden op onder andere kasklimaat, CO2 en licht. “Een lagere plantdichtheid bleek geen remmende werking te hebben op de lichtbenutting voor de fotosynthese”, zegt hij. “Dat is een indicatie dat de plant zijn suikers nog redelijk goed kan benutten voor groei.”

Wat verder opviel waren de plantgewichten. Een Baltica tak groeide bij een lage plantdichtheid uit tot wel 295 gram, terwijl normaal gesproken 80 tot 100 gram al voldoende is. De plantafstand bleek een gigantisch effect te hebben op het plantgewicht, waarbij de investering van de plant in bloemen het sterkst toenam. Temperatuur had weinig effect op het plantgewicht.

Ook zorgde de lage plantdichtheid ervoor dat deze planten al in een veel vroeger stadium zijtakken gingen ontwikkelen. Zo maakten planten die met zeventien stengels per m2 waren geplant, na twintig dagen al zijtakken aan. Vooral de zijtakken met de daaraan ontwikkelende bloemen verklaarden de enorme toename in plantgewicht.

Minder belichting kost kwaliteit

Parallel voerden de onderzoekers een tweede proef uit, waarbij de planten in potten gedurende veertig dagen in verschillende plantdichtheden werden geteeld en daarna werden overgeplant naar een kas, waar alles op 52 stengels per m2werd gezet. “We verwachtten dat de planten die van een lage dichtheid kwamen, een koolhydratenvoorraad over zouden hebben rond dag 40”, zegt Van den Boogaart. “Daarom is gemeten hoeveel koolhydraten waren opgeslagen bij de verschillende plantdichtheden.”

Een plant kent verschillende soorten koolhydraten. De onderzoekers hebben gekeken naar de meervoudige koolhydraten, fructaan en zetmeel. “Dit zijn de opslagreserves. Het bleek dat deze reserves zich vooral middenin de stengel bevinden en bovenaan de plant in de jonge volgroeide bladeren.”

Opvallend was dat die opslagreserves helemaal niet zo groot zijn. “Bij een lage, in de praktijk niet-realistische plantdichtheid van zeventien stengels per m2, bleek de opslagcapaciteit maar 5 tot 10% te zijn”, zegt Van den Boogaart. “Bij hogere dichtheden was dat percentage nog lager. Ook bleek na een nieuwe meting op dag 53 dat de koolhydraten later weer werden benut. Dat is een belangrijk gegeven.”

“Hieruit en uit het feit dat de plant zoveel meer zijtakken ontwikkelt bij een grotere beschikbaarheid aan assimilaten, kunnen we concluderen dat de troschrysant vrijwel nooit genoeg aan assimilaten heeft”, zegt zijn collega. “Er is geen plateau. De groei van zijtakken en bloemen gaat altijd door. Dat betekent dat wie bespaart op belichting, vrijwel altijd inboet op kwaliteit.”

Troschrysant is onverzadigbaar

Daarnaast is het minder belichten in het laatste deel van de teelt, juist geen goed idee, stelt Hogewoning. “Ook dan doet de plant nog veel met de suikers die ze genereert. Zolang de bloemen nog niet te veel licht van het blad wegschermen, loont het dus om de lampen aan te houden.”

Dat is wellicht geen positief verhaal vanuit de gedachte achter Kas als Energiebron. “Maar dit is nu eenmaal de realiteit. De troschrysant is onverzadigbaar. Voor een pluischrysant, waarbij telers alle zijtakken verwijderen, kan het overigens een heel ander verhaal zijn.”

Uiteindelijk was het doel van de uitgebreide kasproeven om data te verzamelen voor de modelstudie met de Virtuele Kas. “Ook daaruit blijkt dat er weinig te besparen valt op belichting”, zegt Hogewoning. “Alleen met een vaste daglichtdrempel (390 W/m2) is er een kort moment waarop het aanbod aan assimilaten hoger is dan de vraag, maar in de praktijk wordt vaker gewerkt met een variabele daglichtdrempel. Dan valt dat overschot al snel weg.”

Enorme database

Dat het resultaat niet het gewenste antwoord geeft in het kader van energiebesparing, betekent niet dat het allemaal verspilde moeite is geweest en dat telers er weinig mee kunnen. “Wie wil overstappen van SON-T naar LED bijvoorbeeld, kan nu precies laten berekenen wat dat doet met de warmtebalans in de kas”, zegt de onderzoeker. “Daarnaast kunnen telers met behulp van berekeningen met de Virtuele Kas veel preciezer sturen. Als een afnemer een bloem van 90 gram vraagt, is het zonde om bloemen van 95 gram te telen. Wellicht kan je dan dus meer stelen op een vierkante meter kwijt.”

Voor telers die willen investeren of strategische keuzes moeten maken, is dit erg interessant, concluderen beiden. “We hebben nu zo’n enorme database voor de chrysant, het is zonde om dat te laten liggen.”

Samenvatting

Onderzoekers bekeken de optimale klimaatomstandigheden voor groei, kilo’s, verdamping en kleur in alle seizoenen met verschillende plantdichtheden en teeltduur voor troschrysanten. Het uitgangspunt was het besparen van energie op belichting, maar na uitvoerige proeven en een modelstudie kunnen ze concluderen dat lichtbesparing vrijwel niet mogelijk is zonder in te leveren op kwaliteit. Er is een grote database opgebouwd, die telers kan helpen bij het nemen van strategische keuzes en bij toekomstige investeringen.

Tekst: Marjolein van Woerkom.
Beeld: Studio G.J. Vlekke en Sander Hogewoning.

Gerelateerd

Spuitrobot met cruise control maakt volautomatisch kilometers in chrysant

Spuitrobot met cruise control maakt volautomatisch kilometers in chrysant

Rustig verricht de automatische spuitrobot zijn werk, hangend aan de buisrailverwarming boven de chrysanten. Terug bij het middenpad koppelt de robot zich vast aan de moederwagen, een transportwagen die aan een monorail boven het middenpad hangt. Deze verplaatst de spuitrobot over het middenpad. Dan koppelt de spuitrobot zich weer los en vervolgt zijn weg boven het gewas in het volgende vak chrysanten. Wekelijks legt de spuitrobot zo’n 20 à 25 km per week af bij Janity Flowers in Bruchem.

“Het geeft rust op het bedrijf. De robot doet het zoals wij het willen”, zegt chrysantenteler Jarno van Wijk over de volautomatische spuitrobot. Sinds 1 januari 2019 is hij verantwoordelijk voor de 4,8 ha grote jaarrond chrysantenkwekerij Janity Flowers in Bruchem. Zijn ouders hebben een stap terug gedaan, hoewel ze nog regelmatig op het bedrijf te vinden zijn. Op de vraag hoe lang hij al meewerkt in het bedrijf, gaat hij ver terug. “Als kind was ik al bezig met plantjes poten. Van het geld dat ik verdiende kon ik een legotrein kopen”, lacht de teler die sinds zijn opleiding MBO Plantenteelt echt aan de slag ging in het bedrijf.

De kas stamt uit 2005. Het bedrijf moest weg uit Zaltbommel vanwege een geplande nieuwbouwwijk. “We hebben hier toen nieuw gebouwd en lopen voorop met nieuwe ontwikkelingen”, zegt Van Wijk. Het is een lijn die hij graag voortzet. “Met de nieuwbouw, van 14 jaar geleden, konden we al stroom terug leveren aan het net. We waren de eerste met een machine waarbij de bloemen verwerkt konden worden zonder het bloemscherm te beschadigen, doordat de band aan de kant van de kop naar beneden klapte. We schaften als eerste 1.000 watt lampen aan in plaats van 600 watt lampen en nu zijn we met LED-belichting bezig”, geeft hij als voorbeeld van die nieuwe ontwikkelingen. In dat rijtje past ook de volautomatische spuitrobot.

Samenwerking

“We gebruikten de oude spuitboom om te spuiten met remstof en correctiemiddelen en voor de verspreiding van natuurlijke vijanden, zoals Amblyseius montdorensis, Phytoseilus persimilis en Aphidius colemani via een bioverdeler. Toen de spuitboom twee jaar geleden aan vervanging toe was, zijn we op zoek gegaan naar een degelijke spuitrobot, die voldoet aan de laatste eisen qua techniek en ook nog betaalbaar is. Als teler ben je altijd op zoek naar hoe iets beter kan”, vertelt Van Wijk. Hij koos voor een volautomatische robot voor het werkgemak. “Spuiten is altijd lastig inplannen. Vaak moet er ’s avonds iemand voor terugkomen of juist ’s ochtends vroeg. Het is fijn dat dat nu wat gemakkelijker is.”

De spuitboom was niet kant en klaar te koop bij zijn leverancier Royal Brinkman, maar moest nog worden ontwikkeld. Bij deze ontwikkelingen waren drie partijen betrokken: naast de toeleverancier ook machinebouwer Pullens en teler Jarno van Wijk zelf. Eerder was dit drietal al betrokken bij de ontwikkeling van de bioverdeler op de spuitboom, die zorgt voor de gelijkmatige verdeling van natuurlijke vijanden. De machinebouwer richtte zich al voor 80 á 90% op de agrarische sector, maar is nog relatief kort in de glastuinbouw actief.

Wensenlijstje

De teler en de vijf mechanisatiemonteurs van de leverancier hebben op basis van hun voorgaande ervaringen met de oude Alumaster spuitboom een wensenlijstje opgesteld, waaraan een goede boom moet voldoen. Michael Visser, product specialist mechanical equipment en Piet Koijen servicemonteur bij Royal Brinkman geven als voorbeeld: “Het is belangrijk dat de spuitrobot onderhoudsvriendelijk is, goede loopeigenschappen heeft – soepel lopende wielen met voldoende grip – en een laag energieverbruik. De accu mag niet te zwaar zijn, maar moet wel zo lang meegaan dat de spuitboom met één keer opladen de hele kas door kan.” Een van de wensen van de teler was aansturing via de telefoon of tablet. “We wilden geen aansturing meer op een beeldscherm op de robot zelf, omdat deze gevoeliger is voor schade.”

William Pullens: “Met dit wensenlijstje op basis van de ervaringen uit het verleden en de kennis van nu zijn we aan de slag gegaan om een duurzaam product te ontwikkelen, dat eerdere problemen uitsluit.”

Van tekentafel naar kas

Eind 2016 kwam de vraag om een automatische spuitrobot te bouwen. De betrokken partijen name plaats aan de tekentafel om gezamenlijk en in nauw overleg met het teeltbedrijf het ontwerp te maken voor een concept van de spuitboom in 3D. Anderhalf jaar later, in juni 2018, was de vernieuwde spuitrobot klaar voor gebruik. “We hebben hem opgehangen en de software getest. Het kostte ons nog een maand om de puntjes op de i te zetten”, zegt de fabrikant.

De ervaringen van de chrysantenteler zijn goed. De robot is gemiddeld drie dagen per week aan het werk. “Hij doet hetzelfde als de oude spuitboom, maar dan efficiënter. We hebben er veel minder omkijken naar. De oude moesten we nog met de hand van kap naar kap verplaatsen. Nu kun je gewoon via je tablet aanvinken welke kappen de robot moet doen en wanneer. Je kunt het daardoor gemakkelijk inpassen in de huidige planning. Stel dat je een bespuiting wilt doen in tien kappen, dan is dat 45 minuten werk voor de robot. In die tijd kun je ander werk doen of je kunt het in de pauzetijd laten doen. Dat werkt veel flexibeler.”

De spuitboom is beveiligd door sensoren die het apparaat kunnen blokkeren als dit nodig is, wanneer de spuitboom zich van kap naar kap verplaatst.

Cruise control

Een belangrijk voordeel is de constante snelheid van de boom boven de vakken en het gelijkmatige spuitpatroon. Door deze combinatie krijgt iedere plant even veel actieve stof of natuurlijke vijanden. In het verleden was de heengaande baan langzamer, omdat de slang werd afgerold en terug sneller door de hulp van de oprollende slang. Dat scheelde een halve tot driekwart minuut per pad bij een rijsnelheid van 45 meter per minuut. Nu wordt de snelheid continu gemeten en gecorrigeerd via een plc. “Vergelijk het met de cruise control op een auto”, zegt Koijen.

Dat betekent dat de chemie en biologie beter verdeeld op het gewas terecht komen. Iets wat volgens de teler in deze tijd essentieel is, omdat alles gewoon 100% goed moet gaan om een zo goed mogelijk product te kunnen leveren. Ander pluspunt is dat de slang nu bovenlangs over het middenpad wordt geleid. In het verleden lag de slang op het middenpad in de weg.

Samenvatting

Sinds juni 2018 werkt chrysantenteler Jarno van Wijk naar volle tevredenheid met een volautomatische spuitrobot. Deze werkt beter dan de vorige versie dankzij een constante rijsnelheid, die zorgt voor een gelijkmatiger verdeling van chemie of biologie. Slangen die op het pad liggen, behoren tot het verleden, omdat ze nu bovenlangs lopen. Het voordeel van volautomatisch werken is een efficiëntere planning voor de chemische of biologische gewasbeschermingswerkzaamheden. De boom is beveiligd met sensoren en kan worden bediend via een tablet of telefoon.

Tekst en beeld: Marleen Arkesteijn.

Gerelateerd

Met LED en SON-T naar zwaardere takken bij hoge plantdichtheid chrysant

Met LED en SON-T naar zwaardere takken bij hoge plantdichtheid chrysant

Terwijl het onderzoek naar (volledige) LED-belichting in chrysant doorloopt, investeren telers nu vooral in hybride belichting. Met LED-lampen naast de bestaande SON-T-installaties realiseren zij een forse lichtverhoging zonder extra warmte in de kas te brengen. Dat heeft meerdere voordelen, vinden de voorlopers John van de Westeringh en Maurice van Tuijl.

De eerste praktijkervaringen in chrysant met een heel klimaatvak onder hybridebelichting werden in 2016 opgedaan bij kwekerij Arcadia. Er werden verschillende lichtspectra beproefd. Korte tijd later volgde het eerste grootschalige project van 3,5 ha bij Linflowers in Zuilichem.

“Daarna was het onze beurt”, vertelt Maurice van Tuijl van Kwekerij Monnikenwaard uit het naburige Nieuwaal. “Met dezelfde armaturen konden wij de sprong maken van 92 µmol SON-T naar 158 µmol hybride. Bij mijn weten is dit het enige chrysantenbedrijf dat zo zwaar belicht. Ik heb er nu één seizoen mee gedraaid en het bevalt me erg goed.”

Extra warmte niet nodig

Uitbreiden met LED was voor Van Tuijl bijna vanzelfsprekend. “Meer SON-T geeft extra stralingswarmte en daar zit ik niet op te wachten”, legt hij uit. “Daarnaast is de stroomvoorziening in dit gebied een beperkende factor. LED’s vragen minder stroom, waardoor ik net geen zwaardere aansluiting nodig had. Een derde argument was dat ik deze installatie ook kan benutten wanneer er geen warmtevraag is. In het begin en aan het einde van het belichtingsseizoen komt dat regelmatig voor. Wanneer de natuurlijke instraling minder dan 150 W/m2 bedraagt, gaat de LED-installatie buiten de verduisteringsuren in principe aan. Daarmee realiseer ik veel meer belichtingsuren dan in het verleden. Een laatste voordeel van LED is dat ik daarmee op zomeravonden mijn stekken kan belichten om de knopvorming te onderdrukken, zonder het klimaat in de war te sturen.”

Het gekozen spectrum (dieprood/wit/laagblauw) is identiek aan dat van eerdere toepassingen in chrysant. “Wat ik van verschillende kanten hoor, is dat LED het gebruik van chemische remmiddelen in chrysant aanzienlijk vermindert”, vertelt Plant Specialist Stefan Hendriks van Signify. “Ook dat draagt bij aan het verduurzamen van de teelt.”
Volgens Van Tuijl heeft wit licht geen fysiologische nadelen voor het gewas, maar is er een iets hogere input van elektriciteit voor nodig dan voor rode of blauwe LED’s. “Als je onder LED-lampen in de kas moet werken, maakt het echter een wereld van verschil”, zegt hij. “Alles oogt veel natuurlijker dan onder de standaardcombinatie rood en blauw.”

Hogere plantdichtheid

In het najaar van 2018 nam de teler zijn tweede groeilichtinstallatie in gebruik. Hij hield direct een ruim 10% hogere plantdichtheid aan. De verduisteringsduur bleef constant op 13 uur. “Door intensiever en op meer momenten te belichten, konden de planten bij dezelfde teeltsnelheid zwaardere bloemen ontwikkelen. Het gewas groeide ook homogener en leverde duidelijk minder uitval en tweede soort op.”
Van Tuijl investeert dit jaar ook in een tweede scherminstallatie. Hij wil hiermee vooral de koude-uitstraling van het dek naar het gewas beperken, die de strekking vaak onderdrukt. In de zomer kan hij dankzij het tweede scherm de felste instraling wegschermen, waardoor het gewas minder stress ervaart. “Wanneer ik het groeilicht en de beide schermen goed benut, kan de plantdichtheid zelfs nog iets worden verhoogd zonder in te boeten op takgewicht en bloemkwaliteit”, oordeelt hij.

Betere productie en kwaliteit

John van de Westeringh uit Varik liet vorig jaar op 3.000 m2 (vijf vakken) een LED-installatie plaatsen van Hortilux om daarmee ervaring op te doen. Ook hij streeft naar lichtverhoging, teneinde daarmee extra productie en kwaliteitsverbetering te realiseren. “De bestaande SON-T-installatie is goed voor 85-90 µmol/m2/s. Daar is 46 µmol LED bijgekomen in de verhouding 90% rood, 5% blauw en 5% wit”, licht hij toe.
“Over de invloed van verrood licht is nog te weinig bekend”, vult account manager Kurt Zwemstra van Hortilux aan. “Mogelijk heeft het in de eerste weken van de teelt en bij het begin van de bloei een positief effect op de strekking van chrysant, maar dat wordt nog uitgezocht in het lopende onderzoek in Bleiswijk.”

Westering Flowers is één van de drie bedrijven in Nederland die zich toeleggen op de teelt van madiba’s, een zeer fijnbloemige chrysant die zijn oorsprong heeft in santini. Op grond van de hogere lichtintensiteit (130 µmol) werd de voor madiba kenmerkende hoge plantdichtheid met nog eens 8% opgeschroefd. De kwaliteit had er niet onder te leiden, stelt teeltman Pim van der Veen vast. “We hebben dikkere takken geoogst met perfecte bloemen en het aandeel klasse II viel 2% lager uit. Daar werd ik wel blij van.”

Strekking in winter

Voldoende lengte krijgen in de winterperiode is volgens Van de Westeringh de grootste uitdaging onder hybridebelichting. “Meer licht, vooral in combinatie met een groter aandeel rood licht, betekent ook minder strekking”, zegt hij. “Met het klimaat kun je dat wel enigszins compenseren. De dagtemperatuur dient daarvoor hoger te zijn dan de nachttemperatuur en daar hebben wij scherp op gelet.”
December was de lastigste maand. Vanwege het relatief hoge vochtniveau en het dichte gewas is besloten om niet op paar kuub gas te kijken. “We hebben een relatief lage kas en dat is een van de redenen om niet voor nog meer SON-T te kiezen. De extra stralingswarmte die dat zou opleveren, maakt een goede klimaatbeheersing nog lastiger.”

Meer branduren

Op grond van de resultaten trekt Westeringh Flowers de lijn nu door. Met het nieuwste armatuur van zijn leverancier, dat goed is voor 3,5 µmol/W en een output van 62 µmol/m2/s, wil John de stap zetten naar 150 µmol hybride belichting. De teler verwacht dat de LED’s meer branduren zullen maken dan de SON-T-lampen. In de zomerperiode kan de LED-installatie tijdens de langedagperiode van de teelt de SON-T’s vervangen en in voor- en najaar wil hij er de dagen mee starten en eindigen om aan de gewenste daglengte te komen.

“De installatie is in volle gang en we hopen de LED’s in augustus aan te kunnen zetten”, zegt de ondernemer. “Mijn aansluiting en de transformator laten het hogere verbruik toe. In februari kreeg ik echter bericht van Liander dat mijn historische verbruik voorlopig bepalend blijft, terwijl we de installatie al in december hadden gekocht. De situatie hier in Rivierenland is nog erger dan in de Bommelerwaard. Daar word je als ondernemer niet blij van.”

Samenvatting

Chrysantenkwekers investeren in hogere groeilichtniveaus van 130 tot 150 µmol/m2/s om productieverhoging en kwaliteitsverbetering te realiseren. In veel gevallen wordt de bestaande SON-T installatie aangevuld met een LED-installatie. De aanschafkosten hiervan liggen fors hoger, maar LED-lampen vragen minder stroom en onderhoud, gaan langer mee, brengen geen extra stralingswarmte in de kas en zijn daardoor flexibeler in gebruik.

Tekst en beeld: Jan van Staalduinen.


Met LED naar een perfecte chrysant

Bij Wageningen University & Research in Bleiswijk vindt al geruime tijd onderzoek plaats naar verdere optimalisatie van een duurzame chrysantenteelt met behulp van LED-licht. Het onderzoek richt zich zowel op hybride systemen als volledige LED-belichting. Accountmanager Kurt Zwemstra en Plant Specialist Stefan Hendriks verwachten dat LED het stokje op termijn helemaal overneemt van SON-T.
“De praktijk hecht nog veel waarde aan SON-T, vanwege de stralingswarmte die het gewas wel waardeert”, aldus Zwemstra. “Wij verwachten echter dat het belang daarvan afneemt naarmate de telers meer grip krijgen op het kasklimaat via Het Nieuwe Telen 2.0, oftewel Growing by Plant Empowerment. Er is ook nog wat doorontwikkeling mogelijk ten aanzien van het ideale lichtspectrum. In dat opzicht vinden wij het verstandig om nu alvast LED toe te voegen aan bestaande SON-T installaties en ervaring op te doen met het telen onder LED.”
“Dat LED de toekomst heeft, staat voor ons vast”, zegt Hendriks. “De meeste chrysantentelers die een flinke lichtverhoging willen realiseren kijken daarvoor naar LED en een niveau van 130 µmol/m2/s lijkt de nieuwe norm. Sommigen, zoals Van Tuijl en Van de Westeringh, mikken nog hoger.”


Gerelateerd

Ondernemers lopen tegen grenzen elektriciteitsnet aan

Ondernemers lopen tegen grenzen elektriciteitsnet aan

Ondernemers die willen investeren in modernisering en uitbreiding van hun bedrijf lopen vast vanwege belemmeringen in de capaciteit van het elektriciteitsnet. De problemen zijn het grootst in de Bommelerwaard, maar spelen ook op andere plaatsen in het land. Netbeheerders hebben tot meer dan vijf jaar nodig om uitbreiding van het elektriciteitsnet te realiseren.

Elektriciteit wordt in de glastuinbouw gebruikt voor de belichting van gewassen en voor de verduurzaming van de energievoorziening. De vraag naar elektriciteit van glastuinbouwers is de afgelopen jaren zo hard gestegen dat de netbeheerders niet altijd meer aan de vraag kunnen voldoen. Zo zijn er tuinders die wel een aansluiting hebben, maar niet altijd stroom. Glastuinbouwgebieden in het hele land, zoals de Bommelerwaard, Asten Heusden, Zuidplas en Erica, kampen met stroomtekorten.

Zorgelijke ontwikkeling

Volgens Glastuinbouw Nederland gaat het in totaal om meer dan vijftig ondernemers. Er ontstaan vooral problemen wanneer ze hun bedrijf willen uitbreiden of verduurzamen en gas willen vervangen door stroom. Glastuinbouw Nederland wil dat het elektriciteitsnetwerk zo snel mogelijk wordt uitgebreid. Uitbreiding van het elektriciteitsnet is ook buiten de glastuinbouw belangrijk, voor de industrie (vervanging fossiele energie), de gebouwde omgeving (warmtepompen) en nieuwe datacenters. Het is zorgelijk dat daarbij zulke belemmeringen optreden, zegt Rob van der Valk van Glastuinbouw Nederland.

Dunne kabels

Dat de problemen in de Bommelerwaard het grootst zijn is niet zo vreemd, zegt woordvoerder Jelle Wils van Alliander tegen de NOS. “In de Bommelerwaard was oorspronkelijk niet veel vraag naar elektriciteit. Daar is het net ook op ingericht. De kabels zijn daar letterlijk het dunst.” Dat de vraag naar stroom zou toenemen had Alliander volgens chrysantenteler Henk van Wijk in Bruchem kunnen zien aankomen. Gelderland heeft de Bommelerwaard niet voor niets aangewezen als ontwikkelingsgebied voor de glastuinbouw. Dit wordt bevestigd door John Rocks, projectleider tuinbouw van de provincie. Hij stelt dat Alliander aan de bel had moeten trekken “toen bleek dat de plannen om de sector te verduurzamen niet haalbaar zijn met het huidige elektriciteitsnetwerk.” Alliander is het met die kritiek niet eens.

Capaciteitsproblemen

Het kost zo’n drie tot vijf jaar om het elektriciteitsnet aan de passen. “We moeten extra kabels aanleggen, verdeelstations bouwen, en daarvoor moeten we procedures volgen om bijvoorbeeld bestemmingsplannen te wijzigen”, vertelt Wils. “We proberen ontwikkelingen te voorspellen. Maar toekomstplannen moeten eerst concreet zijn, voordat wij een miljoeneninvestering doen om de infrastructuur aan te passen.”
Bijkomend probleem is dat steeds meer mensen in Nederland zonnepanelen op hun dak leggen. De stroom die dat oplevert wordt teruggeleverd aan het net. Maar dat is daar niet altijd op berekend. Vooral op het platteland blokkeert de teruglevering regelmatig. De netbeheerders hebben onvoldoende capaciteit om elektriciteit uit zon of wind af te voeren, maar dus ook om elektriciteit aan grootverbruikers zoals de glastuinbouwsector toe te voeren. Die capaciteitsproblemen leiden bij de glastuinders nu dus tot stroomtekorten.

Tijdelijke oplossingen

Alliander is bezig met tijdelijke oplossingen, door ondernemers bijvoorbeeld wel een aansluiting te geven, maar niet met volledig vermogen. Ook de ondernemers zitten niet stil. Een aantal heeft ervoor gekozen om aggregaten te plaatsen, om zo voldoende stroomzekerheid te hebben. Vaak werken die op gas.
In Nederland is Tennet de landelijke netbeheerder. Die transporteert elektriciteit van de elektriciteitscentrale naar het hoogspanningsnet. Alliander, Enexis en Stedin zijn regionale netbeheerders. Zij zorgen ervoor dat de elektriciteit via de verdeelstations in de huiskamer en bij bedrijven binnenkomt.

Bron: Glastuinbouw Nederland/NOS. Foto: Mario Bentvelsen.

Gerelateerd

‘Beperkte scope’ natuurlijke vijanden vraagt om geïntegreerde actie

‘Beperkte scope’ natuurlijke vijanden vraagt om geïntegreerde actie

Veel natuurlijke vijanden zijn selectief als het om voedsel gaat; ze eten vaak slechts één of enkele van de plagen die in kassen voorkomen. Om plagen onder de duim te houden, moet een geïntegreerde bestrijdingsstrategie daarom gebaseerd zijn op meerdere pijlers. Met name in de sierteelt liggen nog uitdagingen op dit vlak. Maar ook de zoektocht naar breder inzetbare predatoren biedt wellicht soelaas.

Trips is met stip een van de belangrijkste problemen in chrysant. Vanwege het steeds schraler wordende pakket aan chemische middelen, de toenemende resistentie van gewasbeschermingsmiddelen en de strenger wordende retaileisen, is de inzet van roofmijten vandaag de dag een belangrijke troef in de bestrijding van deze plaag.

“De afgelopen jaren was de tripsdruk in chrysant erg hoog. Om de roofmijten te ondersteunen, kozen veel chrysantentelers ervoor om deze te gaan bijvoeren met voermijten”, vertelt Lianne van Wijk van Certis Europe. “Hierdoor konden ze zich beter handhaven en vermeerderen in het gewas. Ook aan het begin van het seizoen, als de plaagdruk nog niet zo hoog is. Daarnaast zetten de meeste telers nog breedwerkende biologische middelen in, zoals Azatin en BotaniGard, om de trips te beteugelen.”

Plaagdruk

De geschetste strategie wierp zijn vruchten af: op de meeste bedrijven is inmiddels sprake van een lagere tripsdruk. Veel telers zijn daarom gestopt met de inzet van biologische middelen. Maar nu duiken nieuwe problemen op, geeft de technisch adviseur aan. “De plaagdruk op andere vlakken neemt toe: telers hebben meer te duchten van bijvoorbeeld mineervliegen, rupsen en wantsen. Dat komt vooral doordat roofmijten – en ook veel andere natuurlijke vijanden – een beperkte werking hebben: ze grijpen alleen de tripsen en spint in chrysant. Biologische middelen werken echter breder en hebben tevens een effect op andere plagen. Nu deze middelen niet meer worden ingezet, spelen anderen plagen op in chrysant. Telers realiseren zich nu pas echt wat deze breedwerkende biologische middelen doen.”

Combi-strategie

Dit voorbeeld toont volgens Van Wijk aan dat breedwerkende biologische middelen – de zogeheten biorationals – een onmisbaar element zijn in de hedendaagse geïntegreerde bestrijdingsstrategie. “Alleen met natuurlijke vijanden red je het niet. Je kunt roofmijten inzetten tegen met name trips en spint, maar daarnaast moet je ondersteunend en regelmatig spuiten met gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong om bijvoorbeeld mineervlieg, wittevlieg en luis onder de duim te houden. Deze dienen vooral preventief te worden ingezet, als de plaagdruk laag is. Preventie met biologische middelen wordt ook steeds belangrijker, aangezien er steeds minder chemische gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar zijn voor correctie. Kortom: een combi-strategie is een must.”

Onmisbare schakel

Gerben Messelink, onderzoeker bij Wageningen University & Research businessunit Glastuinbouw, deelt de mening dat een effectieve geïntegreerde bestrijdingsstrategie moet bestaan uit meerdere componenten. “Wij zien dat breedwerkende biologische middelen, net zoals chemische middelen, duidelijke neveneffecten hebben en op deze manier kunnen helpen bij het tackelen van ‘secundaire’ plagen. Een meersporenbeleid is daarom een must; één oplossing is er niet.”
Jenette Douma, consultant sierteelt bij Koppert Biological Systems, geeft wel aan dat sommige breedwerkende biologische middelen soms een licht negatief effect hebben op natuurlijke vijanden. Daarom moeten telers hier volgens haar voorzichtig mee omspringen. “Maar desondanks zijn ze wel een onmisbare schakel in een geïntegreerde bestrijdingsstrategie. Als bedrijf gaan wij voor een totaaloplossing: we combineren de inzet van natuurlijke vijanden indien nodig met toepassing van breedwerkende biologische gewasbeschermingsmiddelen. En deze oplossing moet je zoveel mogelijk afstemmen op die ziekten en plagen waarvoor de plant gevoelig is.”

De basisbestrijding dient volgens Messelink te worden ingevuld door een ‘standing army’ van natuurlijke vijanden. “Daarom is het belangrijk dat telers naar de toekomst toe vooral natuurlijke vijanden inzetten die niet enkel effect hebben op trips, spint of witte vlieg, maar een bredere werking hebben.”

Generalistische predatoren

Vanuit die achtergrond startte WUR op 1 februari met het driejarige project ‘Totaalsysteem van plaagbestrijding met generalistische predatoren’, gericht op chrysant, gerbera en alstroemeria. De geschetste problematiek in chrysant vormde volgens Messelink een duidelijke aanleiding voor het opzetten van dit project, dat financieel wordt ondersteund vanuit de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.

“Dat we focussen op sierteeltgewassen is niet toevallig: in de groenteteelt zijn biologische systemen voor de bestrijding van meerdere plagen afgelopen jaren al ver doorontwikkeld. In de sierteelt zijn echter nog wat stappen te zetten om de problematiek van de ‘secundaire’ plagen te tackelen”, zegt de onderzoeker. Chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn hiervoor steeds minder beschikbaar en de inzet van biologische middelen biedt ook niet altijd een oplossing. Kortom: er is grote behoefte aan robuuste en betaalbare biologische bestrijdingssystemen, die meerdere plagen tegelijk aanpakken. “En de urgentie is hoog: de secundaire plagen-problematiek, die al volop gaande is, zorgt namelijk regelmatig voor een ernstige verstoring van de ontwikkelde biologische bestrijdingssystemen.”

Weerbaar gewas

De zoektocht naar natuurlijke vijanden die breder inzetbaar zijn, heeft ook de aandacht van Koppert. “Dit heeft hoge prioriteit”, benadrukt Douma. “Californische trips kunnen we nu bijvoorbeeld prima onder controle houden met natuurlijke vijanden, maar bij problemen met Echinothrips is spuiten nog altijd nodig. En hierdoor wordt het geïntegreerd systeem weer onderuitgehaald; iets wat niet wenselijk is.”

Daarom is er grote behoefte aan natuurlijke vijanden die meerdere tripssoorten eten. En datzelfde geldt bij de bestrijding van andere plagen. “Overigens zoeken we niet alleen naar generalistische predatoren, maar kijken we ook naar mogelijke andere oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan manieren om het gewas weerbaarder te maken. Meerdere wegen leiden naar Rome.”

Generalisten en specialisten

Messelink verwacht dat met name de Orius-roofwantsen veel potentie bieden in de ontwikkeling van robuuste biologische bestrijdingssystemen. Eerder onderzoek toonde namelijk aan dat deze roofwants een brede plaagwerking heeft. “Maar naast natuurlijke vijanden met een brede werking – de zogeheten generalisten – ontkomen we er niet aan om op bepaalde vlakken ook ‘specialistische’ bestrijders in te zetten. Er moet sprake zijn van een samenspel.”

De onderzoeker benadrukt dat het dan zaak is om zo vroeg mogelijk, bij voorkeur al in de opkweek, te beginnen met de inzet van dit uitgekiende team aan biologische bestrijders. “Alleen zo wordt het gewenste ‘standing army’ gecreëerd en ontstaat een stabiel en robuust bestrijdingssysteem. Dat is in de sierteelt één van de belangrijkste uitdagingen voor de komende jaren.”


Veranderingen door invasieve exoten en klimaatverandering

Naast de ‘traditionele’ ziekten en plagen heeft de Nederlandse tuinbouw steeds meer te duchten van ‘nieuwe’ insecten uit met name zuidelijke landen.

Lianne van Wijk heeft haar twijfels of de klimaatverandering hierbij aan te wijzen is als ‘schuldige’. “Ik denk dat dit vooral te maken heeft met het feit dat we steeds meer producten en plantmateriaal over de wereld verslepen. De tomatenmineermot Tuta absoluta is daar een goed voorbeeld van, die is meegelift op tomaten die vanuit Zuid-Europa naar Nederland kwamen. De kans is groot dat het hier niet bij blijft en dat de komende jaren meer nieuwe ziekten en plagen hun intrede doen. Het feit dat we steeds minder breedwerkende insecticiden kunnen inzetten, die dergelijke nieuwkomers vaak tackelden, vergroot dit risico.”

Eind niet in zicht

Gerben Messelink deelt de mening dat het intensieve transport van producten en plantmateriaal een belangrijke rol speelt bij de introductie van nieuwe ziekten en plagen. Maar het steeds warmer wordende klimaat is volgens de onderzoeker zeker een factor van betekenis: hierdoor voelen nieuwe plagen zich prettiger en kunnen deze zich beter vestigen en ontwikkelen. De opmars van de schadelijke roofwants Nesidiocoris tenuis (zie pagina 32), de bruingemarmerde stinkwants en de zuidelijke groene stinkwants zijn hier voorbeelden van. “Het eind is daarom nog zeker niet in zicht. En ook om deze reden is een systeem met breedwerkende natuurlijke vijanden van groot belang; dit kan helpen om een aantal van de invasieve soorten te bestrijden.”

Kennis nodig

Door het extremer wordende weer is het volgens Van Wijk en Messelink een steeds grotere uitdaging om gewasbeschermingsmiddelen op het juiste moment in te zetten. Het ene middel doet het namelijk goed bij een hogere temperatuur, het ander juist als het wat kouder is. Ook de luchtvochtigheid is van belang. “Door de weersextremen wordt het lastiger om het juiste spuitmoment te kiezen”, zegt Wijk. “En omdat biologische middelen doorgaans minder effectief zijn dan chemische varianten, luistert inzet op het goede moment nog eens extra nauw. Dit vergt extra aandacht en vooral meer kennis van de middelen die je gebruikt.”
Selecteren op hittetolerantie
Messelink voegt toe dat het opwarmende klimaat ook invloed heeft op de effectiviteit van natuurlijke vijanden. “De ene roofwants of sluipwesp kan beter tegen extreme hitte dan de andere. Maar welk beestje hier wel tegen kan en welke niet, daarover weten we eigenlijk nog veel te weinig. Wanneer de warme zomers van afgelopen jaar vaker terugkeren, moeten we natuurlijke vijanden wellicht gaan selecteren op hun hittebestendigheid. Ook op dit vlak is nog werk aan de winkel.”

Volgens Douma zijn er wel al diverse natuurlijke vijanden beschikbaar die prima gedijen in een warmer klimaat. “In warme streken introduceren wij niet dezelfde beestjes als in Nederland. Uit deze voorraad zouden we al kunnen putten, maar optimalisatie voor het Nederlandse klimaat is dan wel een must.”


Samenvatting

Chrysantentelers zetten de afgelopen jaren in de strijd tegen trips niet alleen roofmijten, maar ook breedwerkende biologische middelen in. Nu zij gestopt zijn met deze ‘biorationals’ neemt de plaagdruk op andere vlakken toe. Dit illustreert dat een geïntegreerde bestrijdingsstrategie moet bestaan uit meerdere facetten. Bovendien wordt gezocht naar natuurlijke vijanden met een bredere werking. Die zijn tevens inzetbaar tegen nieuwe plagen, als gevolg van import en opwarmend klimaat.

Tekst: Ank van Lier.
Beeld: Jan van Staalduinen en Studio G.J. Vlekke.