‘Snellere aanleg en uitgroei van bloemtakken met verrood licht’

‘Snellere aanleg en uitgroei van bloemtakken met verrood licht’

LED-belichting kan een nieuwe dimensie toevoegen aan de phalaenopsisteelt, omdat je het spectrum exact kunt afstemmen op de behoefte van de plant. Een langjarig fundamenteel onderzoek moet helderheid opleveren over het effect van licht en temperatuur op fotosynthese, groei en ontwikkeling van verschillende phalaenopsisrassen. De uitkomst hiervan belooft een teeltversnelling als telers die ook op praktijkschaal kunnen toepassen.

Een phalaenopsis is geen tomaat. Groter kan het verschil bijna niet zijn. Dus de vele onderzoeksresultaten met verrood licht bij tomaat kun je niet een-op-een vertalen naar orchideeën. Evelien van Tongerlo is nu in het derde jaar van haar promotieonderzoek, onder begeleiding van Leo Marcelis, Wim van Ieperen en Anja Dieleman van Wageningen University & Research. In dit vierjarige onderzoek houdt zij zich onder andere bezig met het kleurenspectrum dat de groei en bloei van phalaenopsis beïnvloedt en het onderbouwen van de processen die daaraan ten grondslag liggen.

Dit fundamentele onderzoek kwam op gang doordat Anthura, veredelings- en vermeerderingsbedrijf van anthurium en orchidee, een onderzoeksvraag indiende. Het bedrijf wil deze informatie boven water krijgen om ook in de veredeling van nieuwe rassen bepaalde eigenschappen naar boven te halen. De uiteindelijke resultaten komen voor een breder publiek beschikbaar.

Drie lichtrecepten

In haar klimaatcel in het Wageningse gebouw Radix heeft Van Tongerlo inmiddels verschillende lichtrecepten toegepast op de teelt van phalaenopsis: van opkweekfase, koelfase tot en met de afkweekfase. De lichtintensiteit was 140 µmol/m2/s PAR licht van rood-witte LED’s gedurende veertien uur per dag.

De onderzoekster kan in deze ruimte drie lichtbehandelingen geven; een behandeling zonder verrood, een toevoeging van 20 µmol/m2/sverrood licht en een toevoeging van 100 µmol/m2/sverrood licht.

Bij de behandeling met het meeste verrode licht komt de rood-verrrood verhouding overeen met het daglichtspectrum. De golflengte van het PAR-licht, dus het zichtbare licht, loopt van 400 tot 700 nm. De golflengte van verrood licht ligt tussen 700 en 800 nm en valt dus grotendeels buiten het zichtbare spectrum. De totale PAR-intensiteit van de drie behandelingen is gelijk, maar het totaal van PAR en verrood nam wel toe.

Versnelling in koelfase

Van Tongerlo startte het belichtingsonderzoek al in de opkweekfase. Ze gebruikte meerdere cultivars, waarvan al bekend was dat ze verschillend zouden kunnen reageren op licht. “Opvallend genoeg zagen we geen enkel effect van de verschillende behandelingen, gedurende de opkweekfase”, legt ze uit.

Ze vervolgde haar onderzoek in de koelfase van zes weken. Aan het einde van deze periode begon zij verschillen te zien tussen de behandelingen. De planten die het meeste verrood licht kregen toegediend, gaven vijf dagen eerder bloemtakken dan planten in de behandeling zonder verrood licht. Ook strekten de takken meer. “Het verrode licht heeft dus niet alleen effect op strekking, maar helpt eveneens bij de bloei-inductie”, zo constateert ze. Het verrode licht had geen effect op het aantal aangelegde takken.

Teeltversnelling

Uiteindelijk ging het gewas de afkweekfase in. Ook in die periode zijn de drie behandelingen toegepast. Het verschil nam verder toe. Marcelis: “De toepassing van verrood licht leverde in totaal een teeltversnelling van tien dagen op. Wel is dit effect enigszins cultivar-afhankelijk.”

De onderzoekster deed metingen aan de ontwikkeling van de planten. Daaruit bleek dat de teeltversnelling niet ten koste ging van de biomassa. De taklengte en het aantal bloemen was gelijk, evenals de grootte en het gewicht van de bloemen. De conclusie is daarom dat de teeltversnelling niet ten koste gaat van de kwaliteit van de planten en de bloemen. Toepassen van verrood licht kan derhalve commercieel aantrekkelijk zijn.

“We hadden van tevoren het vermoeden dat je met verrood licht een versnelling kunt stimuleren, maar zeker weten deden we dat niet”, legt Marcelis uit. “Wat me wel verraste is dat het verrode licht zo weinig effect heeft op de vegetatieve groei”, vult Van Tongerlo aan, die dit verwachtte op basis van onderzoek bij andere gewassen zoals tomaat.

Verfijnen waarnemingen

De onderzoekster gaat nog een jaar door met het verfijnen van haar waarnemingen. Zo vraagt zij zich af of het verrode licht wel nodig is tijdens de opkweekfase, omdat daar zo weinig effect optrad. Of misschien is het toepassen van verrood licht slechts een bepaalde periode nodig om versnelling te stimuleren. Ook gaat het hier om een onderzoek in een ruimte waar geen daglicht toetreedt. De verfijning van dit lichtrecept moet dus nog plaatsvinden op kasniveau.

Van Tongerlo: “Telers geven aan dat de aanleg en strekking van bloemtakken verschilt per jaargetijde. Misschien is dit gerelateerd aan de hoeveelheid verrood licht dat dan in het zonlicht aanwezig is, maar niet in de assimilatiebelichting.”

Huidmondjes

Een belangrijk aspect aan haar onderzoek is het effect van licht op de geleidbaarheid van de huidmondjes gedurende het etmaal en in welke mate dit de fotosynthese bepaalt. Zou je bijvoorbeeld de huidmondjes kunnen aansturen met lichtkleuren, of hoe reageren de huidmondjes als je wisselt van lichtintensiteit? En welk mechanisme ligt hieraan ten grondslag? En tot hoeveel meer groei leidt dit dan? De fotosynthesemetingen zijn daarom een belangrijk onderdeel van dit fundamentele onderzoek, dat uiteindelijk meer inzicht moet opleveren hoe de assimilatie bij deze CAM-plant plaatsvindt.

In dit onderzoek werkt Wageningen University en Research samen met Anthura, Signify, Bureau IMAC Bleiswijk en B-mex. De financiers zijn NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) en de twee genoemde bedrijven.

Samenvatting

Evellien van Tongerlo doet onderzoek naar onder andere de invloed van het lichtspectrum op de aanleg en uitgroei van bloemtakken bij phalaenopsis. Zij heeft vastgesteld dat het toevoegen van verrood licht aan het spectrum een aanzienlijke teeltversnelling oplevert. Dit onderzoek vindt plaats in een klimaatcel zonder toetreding van daglicht. Het resterende deel van haar onderzoek richt zich op de fotosynthese en het functioneren van de huidmondjes.

Tekst en beeld: Pieternel van Velden en WUR.

Gerelateerd

Lichtintegratie bij phalaenopsis goed mogelijk tot opgeslagen CO2 op is

Lichtintegratie bij phalaenopsis goed mogelijk tot opgeslagen CO2 op is

Over de benutting van licht en CO2 bij phalaenopsis was tot voor kort nog weinig bekend. De phalaenopsis is een zogenaamde CAM-plant; een plant met een afwijkend fotosyntheseproces dat bekend staat als CAM-fotosynthese (Crassulacean Acid Metabolism). Door onderzoek van Plant Lighting naar de opname van licht en CO2 van phalaenopsis wordt nu duidelijk hoe het gewas met licht en CO2 omgaat.

Om goed in kaart te brengen op welke manier licht en CO2 zo efficiënt mogelijk zijn in te zetten, is een goede doorgronding van de fysiologie van het gewas van belang. De onderzoeker ging daarom uit van de vier fases die de phalaenopsisplant per etmaal doormaakt.

CAM-fotosynthese

Tijdens het fotosyntheseproces van CAM-planten gebeurt in de plant in feite het tegenovergestelde van wat er op hetzelfde moment gebeurt in planten die groeien via ‘normale’ fotosynthese. Het proces begint ’s nachts met fase 1, waarbij de bladeren CO2 opnemen en opslaan in de vorm van malaat (appelzuur). In deze fase zorgt doseren van CO2 voor een verhoging van de CO2-opname.

Tussenfase

Zodra de plant in aanraking komt met licht (zon of lampen), begint fase 2. In deze fase neemt de plant nog steeds CO2 op en wordt het licht nog niet effectief benut. Fase 2 duurt één tot een aantal uren, waarna de huidmondjes sluiten en de volgende fase aanvangt.

Laatste fases

Tijdens fase 3 gebruikt de plant het licht dat op de bladeren valt om de CO2, die weer uit het malaat vrijkomt, om te zetten in suikers. De plant gebruikt deze suikers voor groei en herstel van beschadigde onderdelen. Als alle opgeslagen malaat is omgezet in suikers gaat de vierde fase van start. Tijdens fase 4 gaan de huidmondjes weer open om CO2 op te nemen en als malaat op te slaan voor de volgende dag. Het gewas doet in deze fase niets meer met licht.

Wijze van malaat-afbraak

Het onderzoek van Plant Lighting focuste zich op fase 3, om erachter te komen hoe CO2 uit het malaat vrijkomt en hoe de teler hier met de belichting op kan inspelen. Als het CO2 tijdens de derde fase gelijkmatig vrijkomt ongeacht de lichtintensiteit, is het belangrijk om gelijkmatig te belichten. Op die manier verspilt de teler geen licht of CO2. Maar als de lichtintensiteit het tempo van de malaat-afbraak bepaalt, is het mogelijk om tijdens fase 3 lichtintegratie in te zetten.

Besparingsmogelijkheden

Uit het onderzoek bleek het laatste het geval te zijn: hoe hoger de lichtintensiteit is, hoe sneller de malaat-afbraak gaat en het malaat in de plant op is. Of er eerst veel licht is en later minder of andersom maakt daarbij niet uit. De belangrijkste conclusie is dat er een bepaalde lichtsom wordt gehaald binnen de tijdsgrenzen van fase 3. Door slim gebruik te maken van lichtintegratie, is besparing daardoor mogelijk. Randvoorwaarde is hierbij wel dat de lichtsom wordt behaald tijdens fase 3.

Langlopend onderzoek

Het onderzoek van Plant Lighting ging in april 2017 van start en werd in maart 2019 afgerond. Kas als Energiebron en gewascoöperatie Potorchidee financierden het onderzoek dat Plant Lighting in samenwerking met Demokwekerij en Inno-Agro uitvoerde.

Bron: Kas als Energiebron. Foto: Mario Bentvelsen.

Gerelateerd

‘Serenade heeft bedrijfsbreed een plek’

‘Serenade heeft bedrijfsbreed een plek’

De familie Bernard in Luttelgeest teelt op 22 hectare rozen, orchideeën en tuinplanten. Over welk gewas je met Simon Bernard ook praat: in alle teelten staat de aandacht voor een weerbaar gewas centraal. “Het hele plaatje moet kloppen, van techniek tot biologie. Serenade speelt daarin een ondersteunende rol.”

Een bord naast de kruising van de doorgaande weg wijst de route naar de vier bedrijfslocaties van de familie Bernard. Op steenworp afstand van elkaar staan hier twee rozenkwekerijen van elk 3 hectare, een orchideeëntuin van 6 ha en een productielocatie met 10 ha tuinplanten. Simon Bernard runt het bedrijf samen met zijn broer Bram. Mede dankzij hun eigen transporttak, lukt het de broers om zich hoofdzakelijk te richten op het hogere segment, waarbij ze zowel de groothandel als de retail rechtstreeks bedienen. “Een klant die tien Deense karren tegelijk bestelt, is voor ons best groot”, geeft Simon Bernard aan.
Voor de klanten zijn een goede kwaliteit en een duurzame teelt belangrijk. Vandaar dat ze veel aandacht besteden aan de gewasbescherming. Stap voor stap werken ze aan een verdere verduurzaming van hun teelten, waarbij ze het liefst zo min mogelijk ingrijpen. “Bij de insectenbestrijding werken we nu 80 procent biologisch. Dat gaat goed, al is bijvoorbeeld trips hier in de zomer wel een groot probleem. We zitten midden in een akkerbouwgebied, waardoor de druk vrij hoog is. Toch houden we vast aan ons doel om de bestrijding voor 95 procent biologisch te doen.”

Sterkere roos

Afgelopen zomer startten ze met een nieuwe teeltcyclus in hun Avelanche rozen. Ze grepen de teeltwissel aan om het teeltklimaat verder te optimaliseren. “We hebben onder meer de verlichting aangepast met hoogrendementslampen en houden een hoger lichtniveau aan dan voorheen. Het doel daarvan is in de eerste plaats een stabielere kwaliteit, met kleinere verschillen tussen zomer en winter. Maar het moet ook een sterker gewas opleveren. We verhogen de lichtsom niet, maar geven het gewas meer uren rust”, geeft Bernard aan. Verder verhoogden ze de teeltbedden, wat onder in het gewas voor een beter microklimaat moet zorgen.
In de ziektebeheersing is alles gericht op het gezond houden van het gewas. Meeldauw is in de regel goed onder de duim te houden, in de winterperiode is vooral Botrytis een punt van aandacht. “We zitten daar bovenop. Nederland vraagt een perfecte roos, dat is uiteindelijk ons bestaansrecht”, zegt Bernard. Samen met zijn teeltmensen en zelfstandig adviseur Jan Hoogstrate evalueren ze wekelijks of de vooraf afgesproken aanpak moet worden bijgestuurd. Een van de hulpmiddelen daarbij is de uitbloeiruimte op het bedrijf waar ze rozen op de vaas beoordelen. Het geeft ze inzicht in het effect van hun handelen en daarmee een extra handvat in de teelt.
Regelmatig maakt het groene middel Serenade onderdeel uit van de bespuitingen. “Het is gewaszacht en heeft een brede werking op de belangrijkste schimmelziekten. Vaak is het voldoende om ziekten onder de duim te houden. Wordt het echt spannend, dan vervang ik Serenade door bijvoorbeeld Luna Privilege. In de loop der jaren hebben we steeds meer geleerd over wat er wel en niet kan, al zit er altijd een stukje onvoorspelbaarheid in een ziekteontwikkeling.”

Phalaenopsis

Sinds dit voorjaar is de toelating van Serenade uitgebreid naar andere sierteeltgewassen onder glas. Voor Bernard reden om de mogelijkheden van het middel ook in de teelt van Phalaenopsis te onderzoeken. Ook in deze teelt draait het om de juiste combinatie van maatregelen. De juiste uitgangssituatie en een goed teeltklimaat zijn cruciaal, benadrukt Bernard. “Niet te nat en niet te droog telen en zorgen voor goed uitgangsmateriaal. Dat is meer dan de helft van het hele verhaal.” Ze merken dat het grote aantal variëteiten een extra handicap is in de geïntegreerde aanpak van de gewasbescherming. “We zijn daarom vier jaar geleden overgestapt naar segmenteren op verschillen in groei. We hebben vier groepen die we apart monitoren en water geven. Daarmee kom je al iets dichter bij een optimale vochthuishouding, zodat bijvoorbeeld potworm en schimmelziekten minder kans krijgen. Nu willen we nog een stap verder gaan. We willen minder soorten telen. Op dit ogenblik zijn dat er nog 300. Maar onze doelstelling is om 80 procent van de productie met 80 soorten te gaan doen.” De inzet van Serenade kan een verdere ondersteuning zijn voor het onderdrukken van Fusarium, Rhizoctonia en bacterieziekten.

Bacterieziekten

In het perkgoed hebben de verbeteringen in de teelt zich de afgelopen jaren vooral gericht op een betere ventilatie en de inzet van natuurlijke vijanden. Bij een goede kwaliteit uitgangsmateriaal zijn de meeste ziekten en plagen goed beheersbaar, is hun ervaring. De komst van Serenade zou echter een goede aanvulling kunnen zijn, vanwege zijn brede werking en het ontbreken van een re-entrytermijn. “Door het middel aan het begin van de teelt een plek te geven, kan het helpen om de ontwikkeling van Botrytis of bacterieziekten de kop in te drukken. We willen de druk vanaf de start van de teelt zo laag mogelijk houden.”
Bernard is er heilig van overtuigd dat ze de komende jaren nog verder kunnen komen met de geïntegreerde benadering. “Wij geloven in het totaalconcept. Het is een optelsom van het juiste klimaat, de juiste biologie, goede techniek, op tijd scouten, de inzet van groene middelen, correctiemiddelen en gezond uitgangsmateriaal. Stiekem zijn we in de loop der jaren behoorlijk teruggegaan in middelengebruik.”


Etiket van Serenade verder uitgebreid

Het etiket van Serenade is dit jaar uitgebreid met een bladtoepassing in de bedekte teelt van bloemisterijgewassen en een grondbehandeling in grondgebonden bloemisterijgewassen. Voor een optimale werking van Serenade zijn de volgende zaken van belang:

Bladtoepassing in bedekte teelt
• Zet Serenade altijd preventief in. Dat betekent: spuiten voordat de schimmel aanwezig is of nadat de schimmels eerst door curatieve middelen zijn bestreden.
• Zorg voor een optimale verdeling van Serenade over het blad. Spuittechniek, waterhoeveelheid en uitvloeier zijn daarvoor uitermate relevant.
• Spuit Serenade altijd in combinatie met een uitvloeier die de spuitvloeistof goed over het blad verdeelt.
• Serenade kan zowel solo als in combinatie met een fungicide worden ingezet. Door chemie in het schema te vervangen door Serenade wordt de milieubelasting van de ziekten- en plagenbestrijding gereduceerd.
• De werkingsduur van Serenade is in snelgroeiende gewassen rond de 7-10 dagen. Serenade is veilig voor nuttige insecten of bestuivers. Grondbehandeling in grondgebonden teelt
• Pas Serenade vlak voor zaaien of planten toe en werk het in de bovenste laag van de bodem. De kolonisatie van de wortels begint al binnen enkele uren.
• Pas Serenade toe vlak voor of bij actieve groei van de wortels. Kolonisatie is onafhankelijk van de bodem of vochtcondities in de bodem. Gekoloniseerde Bacillus spoelt niet af van de wortels. Serenade is gebaseerd op een unieke, van nature in de bodem voorkomende bacteriestam, Bacillus amyloliquefaciens (voorheen subtilis) QST 713. Serenade heeft een brede werking tegen schimmels en bacteriën.
In de bodem zorgt Serenade voor een snelle kolonisatie van de wortels of knollen. Hierdoor beschermt het de wortel tegen diverse grondgebonden schimmels, zoals Pythium, Rhizoctonia. Bacillus amyloliquefaciens QST713 wordt gevoed door de wortelexudaten en groeit met de wortel mee. Zolang de wortels groeien, gaat Serenade door met kolonisatie van de wortels. Een grondtoepassing van Serenade zorgt voor een betere vertakking van de wortel en meer biomassa.

Ter Laak verwacht in nieuwe kas beter product en lagere energiekosten

Ter Laak verwacht in nieuwe kas beter product en lagere energiekosten

Ter Laak Orchids heeft als eerste teeltbedrijf in Nederland een 5 ha grote Daglichtkas neergezet. De productie draait sinds enkele weken. “Het concept spreekt ons aan en we hebben er hoge verwachtingen van”, zegt Richard Ter Laak. Resultaten zijn vooralsnog moeilijk in cijfers te vatten.

De schermen zijn aan het begin van de ochtend nog open, waardoor de warmtecollectoren goed te zien zijn. Deze zwarte buizen hangen over de gehele lengte in tweetallen in de kas, kort onder de ramen met dubbel glas. “De collectoren draaien gedurende de dag langzaam met de zon mee”, wijst Richard Ter Laak aan. “De lenzen die tussen de dubbele beglazing zijn aangebracht, vangen het zonlicht af en centreren dit in de warmtecollector, die zich door de draaiing constant op de juiste brandlijn bevindt. We zetten deze warmte via de warmtepomp om naar thermische energie en slaan het op, zodat we het kunnen hergebruiken.”
Samen met zijn broer Eduard runt Richard de 13 ha grote phalaenopsiskwekerij aan de Middenzwet in Wateringen. Daarnaast hebben ze nog 4,5 ha verderop in het gebied en 1,2 ha in Guatemala. De 13 ha is inclusief de 5 ha, die er afgelopen jaar is bijgebouwd in de vorm van een zogeheten Daglichtkas. Deze kas vangt al het directe zonlicht af en zet het om naar energie. De prognose is een besparing van 40% in aardgasequivalenten.

Optimale lichtverdeling

Voor de phalaenopsisteler begon het in 2014 toen hij werd benaderd door Technokas. “Toen we ons hier in 2010 vestigden, begon de samenwerking”, vertelt Ter Laak. “We wilden toentertijd een 8 ha grote kas: een combinatie van een Venlokas met een breedkapper, een gecompliceerd project. Het bedrijf stond er bekend om dat ze hier de kennis en kunde voor in huis hadden. Zo is de liefde ontstaan”, lacht hij.
Het ingenieursbureau uit De Lier was zelf in 2014 al enkele jaren bezig met de ontwikkeling van de Daglichtkas. In samenwerking met Wageningen University & Research ontwikkelden ze een concept, dat ze een jaar lang aan technische beproevingen onderwierpen. “We wilden een kas ontwerpen die voorop zou lopen in duurzame ontwikkelingen”, zegt Maurice Hartman van Technokas. “Door deze techniek kunnen we zonlicht meerwaarde geven.”

Gratis energie

Dit systeem kan zo’n 50% van de warmtebehoefte dekken voor een teelt van phalaenopsis. Bovendien creëert de kas een optimale lichtverdeling bij de plant, wat resulteert in een betere kwaliteit en productie. Dat laatste bleek uit teeltproeven, die drie jaar lang op 500 m2 bij WUR zijn uitgevoerd. “Daaruit behaalden we dus goede resultaten, maar we hadden het concept nog niet op productieniveau getoetst”, zegt Hartman. Ze klopten bij Ter Laak aan. “In eerste instantie zaten we er niet op te wachten”, geeft de teler aan. “We hadden hier in 2010 net nieuwgebouwd, waren in 2011 in productie gekomen en om hier nu weer alles overhoop te halen, dat zagen we niet zo zitten.”
Toch gingen de broers overstag, omdat het wel heel goed paste. “We hadden te weinig ruimte voor onze stekafdeling, dus 4.000 m2 proefkas was welkom. Daarnaast geloven we in het concept van de Daglichtkas. Door krijten en schermen kets je zonlicht af. Dat vinden we zonde. Het is gratis energie, dus dat kan je maar beter gebruiken. Daarnaast zijn we niet enthousiast over krijten. Dit kost veel energie en geeft altijd de nodige uitdagingen met opbrengen en verwijderen. Daarnaast geeft schermen ook onrust. Pas als er te veel licht in de kas komt, ga je schermen. Je reageert dus eigenlijk altijd te laat. Bovendien wisten we dat we door de combinatie van het zonne-oogstsysteem en de luchtbehandelingskasten veel energie konden besparen.”

Lastig conclusies trekken

De grootte van de energiebesparing is vooralsnog niet in concrete cijfers te vatten. “Die 4.000 m2 is maar een pukkeltje op onze totale energieverbruik, maar volgens de onderzoekers hebben we zo’n 40% bespaard op het geheel.”
Conclusies zijn sowieso lastig te trekken, want de bevindingen zijn niet een-op-een te vergelijken met eenzelfde situatie. Toch heeft Ter Laak het idee dat zijn gewas in de Daglichtkas sterker en robuuster is dan in zijn traditionele kas. “We hebben geen problemen in de opstart gehad. Omdat je werkt met dubbelglas en zonder energiedoek krijg je een betere lichtverdeling, wat weer een positief effect heeft op de plantkwaliteit.”
“Dat is de kracht van dit concept”, voegt Hartman toe. “De brekingsindex van dit glas is hoger dan die van diffuus glas, waardoor er voor de planten 100% diffuus licht overblijft. De kas heeft geen buitenscherminstallatie meer nodig en de teler hoeft in de winter minder uren te belichten.”
In het eerste jaar is de orchideeënteler op dezelfde traditionele manier blijven telen en pas in het tweede jaar zijn de telers de buitenluchtinstallatie gaan finetunen. Hiermee kunnen ze verantwoord een hogere luchtvochtigheid aan houden en kan bij gesloten schermen toch voldoende vocht worden afgevoerd. “Hierdoor kan je veel geïsoleerder telen. Het leidt tot een strakker kasklimaat, maar het is experimenteren en ervaren. Meteen volledig je doeken dicht, dat moet je wel durven. In de nieuwe kas gaan we daar minder behoudend mee om.”

Ander kostprijsplaatje

De nieuwe Daglichtkas is 5 ha groot. Veel aanpassingen op teelttechnisch gebied zijn er niet gedaan. Ter Laak wilde alleen grotere luchtramen. Hij heeft nu een vakmaat van 5 meter, maar ze blijven eenzijdig. “Er zijn nog wel eens twijfels over een eenzijdig luchtraam”, zegt de teler, “maar wij hebben er tot op heden geen nadelen van ondervonden. We luchten natuurlijk ook veel minder, want we hoeven alleen nog maar te luchten op temperatuur – waarbij de invloeden van buitenaf minder zijn – en niet meer op vocht.”
Kostentechnisch zijn er wel zaken efficiënter ingericht. De kas is bouwkundig wat aangepast. Behalve grotere luchtramen, is het dek niet langer asymmetrisch en er zitten twee in plaats van drie lenzen in elk raam. Ook worden er nu twee in plaats van drie collectoren gebruikt, waardoor er minder sprake is van schaduwwerking. “De kas is daardoor betaalbaarder geworden, zonder in te leveren op kwaliteit”, stelt Hartman.
Want goedkoop is het niet. “Te duur vind ik een negatief woord. Het is niet te duur, maar er zit een ander kostprijsplaatje achter dan telers gewend zijn. Zo moet je dat zien”, gaat hij verder. “Duurzame ontwikkelingen brengen dat nu eenmaal met zich mee. Je zit hiermee op een ander niveau in de markt dan traditioneel.”

Balans

Ter Laak verwacht een beter product, zowel qua hoeveelheid als kwaliteit, en lagere energiekosten. In theorie is de verwachting 40% energiebesparing op de teelt, maar in praktijk is dat lastig in cijfers te vatten. “We oogsten 50% van de benodigde warmte-energie, maar de waterpomp kost ook energie, dus we kunnen niet inzetten op 50% besparing”, legt hij uit.
Daarnaast moet het potplantenbedrijf een balans vinden tussen genoeg warmtepompuren en WKK-uren. Zo leveren ze al hoogwaardige energie aan de buren, zodat de warmtepomp genoeg draait. “De WKK willen we eigenlijk alleen voor de belichting inzetten. Op die manier proberen we tot een zo optimaal mogelijk energetisch plaatje te komen, maar er zijn andere aspecten die meespelen. Zo winnen we kosten, omdat we minder hoeven te belichten. En we hebben LED-belichting, waardoor we efficiënter met warmte om kunnen gaan. Het blijft zoeken en uitproberen.”

Samenvatting

Hoewel phalaenopsisteler Richard Ter Laak zijn bevindingen nog niet met concrete cijfers kan onderbouwen, heeft hij hoge verwachtingen van de Daglichtkas. In de proefkas van 4.000 m2 had hij nauwelijks problemen en zag hij een robuuster gewas ontstaan. De proefkas is vorig jaar opgeschaald naar 5 ha. Hij verwacht geïsoleerder te kunnen telen en een energiebesparing van 40% te kunnen realiseren. Toch zal het zoeken en experimenteren worden om dit ook daadwerkelijk te behalen.

Tekst en foto’s: Marjolein van Woerkom.

Gerelateerd

Phalaenopsisteler en -veredelaar vernieuwt op meerdere fronten

Phalaenopsisteler en -veredelaar vernieuwt op meerdere fronten

Alweer tien jaar geleden kwam het exclusieve consumentenmerk Bohemian Orchids van Piko Plant in de markt, met zwaardere planten en grotere bloemen in onderscheidende kleuren en patronen. Binnen dit merk vallen naast exclusieve rassen van andere veredelaars steeds meer zelf ontwikkelde rassen. Teler Arno de Koning heeft er zelfs een eigen veredelingstak voor opgericht.

De Nootdorpse phalaenopsisteler zit al 35 jaar in het vak. Op zijn bedrijf van 4 ha teelt hij jaarlijks 2 miljoen planten. In tegenstelling tot andere telers levert hij niet alleen op kleur of gemengd, maar ook op soort.

Toen hij twintig jaar geleden begon met veredelen, was dat vooral hobby. In de loop van de jaren werd zijn aanpak steeds doelgerichter om onderscheidende, nieuwe rassen te creëren. De laatste zeven jaar heeft hij de veredeling duidelijk opgeschaald. Nu heeft hij een solide veredelingsprogramma, huurt extern kennis in en heeft, naast zijn eigen inzet, een medewerker binnen het bedrijf die zich volledig bezighoudt met de veredeling. De afgelopen Trade Fair in Aalsmeer introduceerde hij de veredelingstak Piko Breeding.

Sierwaarde en bloemgrootte

“We hebben, inclusief testrassen, meer dan 200 rassen op ons bedrijf. Het grootste deel van die rassen kopen we in bij verschillende veredelaars in Nederland en Taiwan. Inmiddels is 20% van de planten uit eigen veredeling afkomstig. Dit aandeel zal de komende jaren verder stijgen. Daarmee geven we steeds meer lading aan ons eigen merk.”

De Koning legt de lat hoog bij de veredeling. “We beginnen met de uiterlijke kenmerken. Ik zie het als een uitdaging om rassen te maken die zich onderscheiden door grote bloemen, voldoende sierwaarde en volume hebben. Natuurlijk moet de basis goed zijn: een goede houdbaarheid en voldoende resistentie tegen ziekten als Fusarium, Erwinia en Pseudomonas. Ook de bladstand is belangrijk voor de teelt in kragen en vazen. Teeltsnelheid speelt bij ons wat minder, omdat we voor zwaardere planten gaan.”

De teler denkt bij de veredeling ‘out of the box’. “We proberen bijvoorbeeld Aziatische en Europese rassen te kruisen. Verder is het een voordeel dat we door het jarenlange kruisen al eigen ‘genetica’ hebben opgebouwd met voldoende onderscheidende kenmerken.”

Kruisingsproducten met grotere bloemen hebben vaak minder tweetakkers en langere stelen dan de gangbare van 60-70 cm hoogte. De teler focust zich bij de veredeling op minimaal 90% tweetakkers, tenzij de kleur heel exclusief is.

Veredeling én productie

Bijzonder aan de veredeling bij Piko Plant is de selectie van de rassen op praktijkniveau. Na de kruising en eerste selectie worden er via weefselkweek testklonen gemaakt van de meest belovende zaailingen. “Deze testklonen telen we gewoon tussen de productierassen en niet in een speciale testkas, zoals gebruikelijk is. Op deze manier krijgen we de sterkste rassen en zien we snel welke planten een grotere potentie hebben om door onze strenge selectiecriteria te komen. Pas na minimaal driemaal testen en vermeerderen tot een voldoende grote voorraad, is een ras rijp voor introductie. We selecteren rassen voor eigen gebruik en zetten ze tevens exclusief via dealers – andere veredelaars – af.”

De Koning houdt dit voortraject in eigen beheer om te voorkomen dat er mislukte rassen in de markt terechtkomen. “We zijn een echt testbedrijf. Onze registratie is op orde en via tracking en tracing kunnen we iedere plant van het begin tot einde volgen. Stel je hebt tien witte rassen, dan kunnen we met ons systeem met unieke potcode en scanners deze tien witte testrassen van het begin tot het einde volgen maar ook uitsorteren bij bloei.”

Watercupje in pot

Piko Plant werkt behalve aan nieuwe rassen ook aan praktische teeltoplossingen. Voor een geslaagde vinding vraagt de teler een octrooi aan. Dit kan, net als een nieuw ras, via een dealer beschikbaar komen voor de markt. Deze ontwikkeling begon twaalf jaar geleden toen De Koning samen met een collega een zeskantige kraag met geleidingsvlakken voor de takken ontwikkelde en er octrooi voor aanvroeg.

De nieuwste ontwikkeling die op de markt komt, is een watercupje voor onder de pot. Planten dienen met voldoende vocht de keten in te gaan om uitdrogen tijdens transport en winkelfase te voorkomen. Een watercup onder de pot kan verlies door verdroging in de keten voorkomen. “Onze vraag was: heeft de watercup ook een teeltvoordeel, waardoor we de kosten kunnen compenseren?”

Inductie bevorderen

Potwormen vormen een algemeen probleem in de phalaenopsisteelt. Met een grover substraat en door droger telen, kun je potwormen tegengaan in de opkweek. Maar de substraat en/of potkeuze geldt wel voor een heel teeltseizoen. “Liever wil je bij de afkweek juist meer vocht om de inductie van bloemtakken te bevorderen zonder het gewas te vaak nat te moeten maken. Wanneer je in de koelfase een watercupje onder de pot plaatst, is de watergift beter geborgd zodat je beter verschil kunt maken tussen opkweek en afkweek en hebben handel en consument er eveneens voordeel aan”, is de redenering van De Koning. Deze vinding is onlangs door een dealer op de Trade Fair geïntroduceerd.”

Oplossingen om takbreuk te voorkomen zijn nog volop in ontwikkeling.

Samenvatting

Piko Plant introduceerde tien jaar geleden het exclusieve consumentenmerk Bohemian Orchids, met zwaardere planten en grotere bloemen in onderscheidende kleuren en patronen. De hobbymatige veredeling is uitgegroeid tot een echte veredelingstak om onderscheidende, nieuwe rassen te creëren. Verder werkt teler Arno de Koning aan technische innovaties, zoals een kraag voor takgeleiding en een watercup die het substraat in de pot tijdens de laatste teeltfase en in het verkoopkanaal vochtig houdt.

Tekst en beeld: Marleen Arkesteijn.


‘Altijd inplannen’

Arno de Koning: “HortiContact Gorinchem is een hele mooie gelegenheid om in een korte tijd veel relaties te spreken, te netwerken met collega’s en de nieuwste trends te zien. We plannen deze beurs daarom altijd in, alleen of met medewerkers.”


Gerelateerd