Microbioom was tot voor kort nog een vreemde term voor Jos de Vries, één van de twee teeltverantwoordelijken bij Plantenkwekerij Valstar. Bij het microbioom gaat het om de micro-organismen die een belangrijke rol spelen bij de gezondheid van mensen, dieren en in dit geval planten. Nu is De Vries een van de zeven telers die betrokken is bij het PPS-project van Wageningen University & Research, waarin gekeken wordt naar de microbiologische kwaliteit van potgrond. Spannend als je dit kunt ontrafelen, vindt hij.
De plantenkwekerij uit ‘s Gravenzande houdt zich bezig met de opkweek van uitgangsmateriaal voor de groenteteelt en bloeiende potplanten als eindproduct. Het is in verschillende opzichten een bedrijf met veel dynamiek. Tussen oktober en januari staan er jonge groenteplanten, voornamelijk paprika. De ruimte die vrijkomt na het afleveren van deze planten wordt snel opgevolgd door jonge stekken voor diverse bloeiende potplanten, zoals chrysant, begonia, celosia en asters.
Wat het verder dynamisch maakt, is dat de planten op roltafels staan. Ze hebben dus geen vaste plaats en staan dan hier, dan daar. Het klimaat is wel overal ongeveer hetzelfde.
Weerbaar telen
Jos de Vries is al vanaf 2018 bezig met weerbaar telen. “Ik heb vijf jaar in de Verenigde Staten gewerkt met paprika’s en tomaten. Daar zijn minder middelen beschikbaar en waren ze al meer bezig met alternatieven dan hier.” Hij besloot in 2018 een cursus over weerbaar telen te volgen. Sinds die tijd heeft hij een aantal zaken opgepakt: het toevoegen van Trichoderma, het meegeven van Agro Supplement, grondmengsels met minder veen en het toedienen van bladversterkers. En we beluchten de drainsilo’s. Dat lijkt ook goed te werken.”
“We hebben een jaar lang enkele potgrondmengsels bekeken. We hebben gekozen voor een wat droger mengsel met minder veen en in plaats daarvan tuinturf, veenmosveen, fiber compost en kokosgruis. Dit was vooral ingegeven door de markttrends om het veen in de potgrond te vervangen.” Het lijkt erop dat de teelt op dit mengsel beter gaat. “We gebruiken twee watermengsels: voor de groei en de bloei. De samenstelling van de A- en B-bak zijn hetzelfde. Een deel van de planten krijgt een hogere EC mee. Begonia’s krijgen gietwater met een lage EC.”
Deelname telers
Bij het PPS-project, dat loopt van 2022 tot 2026, kijkt projectleider Florien Gorter naar de microbiologische kwaliteit van de potgrondmengsels. Ze heeft een methode ontwikkeld om met behulp van DNA-technieken informatie te krijgen over de soortensamenstelling van het microbioom (zie ook Onder Glas, oktober 2024).
Ze voert dit onderzoek uit met zes verschillende groeimedia en vier verschillende gewassen. De twee extremen waren conventioneel veen met perliet en een compleet hernieuwbaar mengsel kokos, houtvezel, boomschors en compost. De andere vier opties bestonden uit veen plus steeds één van deze componenten. Dit jaar zijn er ook drie chrysantentelers, twee lavendeltelers en twee telers met dwergconiferen bij het project betrokken. Zij testen dezelfde zes groeimedia op hun bedrijf.
Toen er een e-mail van WUR uitging naar telers van de verschillende gewassen, vond De Vries het gelijk interessant om aan het onderzoek deel te nemen. “We waren zelf al bezig met veen verminderen. Ik had nog geen idee wat een microbioom was. Het leek wel of de onderzoekers in geheimtaal met elkaar spraken. We zijn nu een stap verder. Er komen nieuwe inzichten, maar ook nieuwe vragen. We doen nu mee met fundamenteel onderzoek. Er moet nog heel wat uitgezocht worden voordat je hiermee in de praktijk aan de slag kunt.”
Proefopzet
De deelnemende telers deden mee met 120 planten: 6 x 20 planten van dezelfde soort en kleur. De proefduur voor chrysant was 55 tot 60 dagen. “Wij deden ook met ons eigen mengsel mee, dus bij ons lagen er zeven proefjes van 20 planten. Ze kregen dezelfde behandeling als de andere planten qua klimaat en korte en lange dag. Aangezien de mengsels mogelijk wat gevoeliger waren voor droogte, hebben we ook tussentijds met de slang water gegeven. We hadden het idee dat de planten op drogere mengsels wat korter bleven. Verder zagen we gedurende de proef weinig verschillen.”
De Vries plaatst voor de zekerheid wat kanttekeningen. Het aantal planten per proef is klein. Je weet niet of verschillen te maken hebben met de plaats van de planten op tafel. Bovendien kan er tijdens de proef ook technisch iets fout gaan, zoals een haperende spuitboom met remstof aan het begin van de proef. Dus herhaling van een proef is ook nuttig.
De proef bij Valstar eindigde positief: alle planten hadden een verkoopbare kwaliteit. Na de proef zette De Vries per partij een aantal planten apart voor een uitbloeiproef. Ook daar zag hij weinig verschil. Hij liet ze staan totdat de eerste plant slap ging. De eerste planten die slap gingen waren overigens de planten met het eigen mengsel.
Spannend
De teeltman kijkt met een positief gevoel terug. “Wij letten alleen op de fysische eigenschappen. Ook het microbioom heeft invloed. Het zal nog wel even duren voordat we dat goed in de vingers krijgen. We volgen de ontwikkelingen met belangstelling. Kun je met het microbioom ook de plant sturen? Bijvoorbeeld de plant remmen? En als je hiermee de wortelgroei stimuleert, gaat dit dan bijvoorbeeld ten koste van de knopvorming en hoe kun je daarop sturen? Met andere woorden: je moet oppassen wat je wel en niet beter maakt.”
Tekst: Marleen Arkesteijn













