Op verzoek van een aantal producenten van biostimulanten voerde Vertify een instappproef uit met diverse behandelingsstrategieën in chrysant om de effecten te meten op de groei, ontwikkeling en takkwaliteit. Onderzoeker Sergio Harinck stelt vast dat alle toegepaste producten en strategieën effect sorteren, maar dat de wijze waarop en de mate waarin verschillen. Om telers concrete handvatten aan te kunnen bieden voor een optimale inzet van biostimulanten, pleit hij voor aanvullend praktijkonderzoek.

De instapproef vond plaats in de aanloop naar de Gewasgezondheidsdagen Sierteelt op 30 september en 1 oktober, waar Harinck de eerste resultaten liet zien en betrokken producenten meer vertelden over de werking van hun biostimulanten.
“Vanwege de toenemende druk op klassieke gewasbescherming en de inzet op robuuste, weerbare teeltmethoden, staan biostimulanten sterk in de belangstelling van zowel telers als producenten”, licht de onderzoeker van Vertify toe. “Het gaat om natuurlijke producten die de groei en ontwikkeling van gewassen ondersteunen en de planteigen weerbaarheid tegen abiotische stress versterken of activeren. Daarmee verschillen ze wezenlijk van gewasbeschermingsmiddelen, die direct inwerken op ziekten en plagen.”

Gesimuleerde grondteelt

Producenten investeren flink in de ontwikkeling van biostimulanten en in onderzoek naar hun toepassing en meerwaarde voor de teeltpraktijk. In het afgelopen voorjaar rondde Harinck een instapproef af die gericht was op de tomatenteelt, deze zomer volgde een proef met chrysanten in een gesimuleerde grondteelt. Hiervoor zijn teeltbakken ingezet, gevuld met niet-gestoomde grond van een chrysantenkwekerij.
Het experiment omvatte 10 behandelingen op 60 planten (ras Baltica) per kist in 4 herhalingen. Tijdens de teelt is er niet geremd en vonden er geen gewashandelingen plaats, maar is er wel volgens het gebruikelijke schema verduisterd om de bloeminductie te realiseren.
Het behandelschema is weergegeven in tabel 1. Code A en Code B betreffen experimentele producten, die nog in ontwikkeling zijn. Het aantal toepassingen van de individuele producten en productcombinaties varieerde per behandeling, wat van invloed kan zijn op de waargenomen resultaten.
De tussentijdse en eindresultaten in gewasontwikkeling zijn weergegeven in de tabellen 2 en 5. Er zijn ook chlorofylmetingen uitgevoerd (zie tabel 3 en 4) om inzicht te krijgen in de effecten van de behandelingen op de fotosynthesecapaciteit.

Verschil in taklengte

Harinck: “In het begin van de teelt zagen we duidelijke verschillen in gewasontwikkeling tussen behandelingen, die vooral tot uiting kwamen in de taklengte. De behandelingen 5 en 7 resulteerden in de langste planten, maar de onderlinge verschillen werden kleiner naarmate de teelt vorderde. Bij behandeling 6 zagen we een grotere variatie in taklengte, wat niet wenselijk is. Behandeling 5 scoorde in dat opzicht beter. Niet alle verschillen waren significant, wat in de tabellen wordt weergegeven met de kleine letters a en b. De letters c en d duiden juist wel op significante verschillen.”
De onderzoeker merkt op dat naast de bloemkwaliteit het takgewicht een doorslaggevende eigenschap is voor het teeltresultaat. Voor een mooie, relatief zware tak dienen de bladeren voldoende chlorofyl te bevatten voor de daarvoor benodigde fotosynthese en aanmaak van assimilaten. Het lijkt erop dat behandeling 4 daaraan bijdraagt.
Bij 35 en 56 dagen na planten is een hogere groei waargenomen bij specifieke behandelingen. De beste resultaten met Qualibra/Cepacet/Radifarm/KendalRoot en Physiostart/Fertiactyl, zonder significante verschillen in takgewicht.

Weerstand tegen abiotische stress

Hoewel er geen specifiek onderzoek plaatsvond dat zich toespitste op abiotische stress, is er tijdens de proef ook gekeken naar anthocyaangehalte, omdat die een correlatie kan hebben met de planteigen weerbaarheid op dit vlak.
De onderzoeker: “Het anthocyaangehalte nam naar het einde van de teelt toe wel af, maar behandeling 3 liet een duidelijk significant positief zien. Dat is goed om mee te nemen in een eventuele vervolgproef.”
Of die er komt is nog niet zeker, maar Harinck zegt hierover wel in gesprek te zijn met de betrokken producenten. “Dit verkennende onderzoek heeft nuttige inzichten opgeleverd maar aanvullend praktijkonderzoek is wel wenselijk om telers concrete adviezen over behandelstrategieën te kunnen aanreiken. Positief is in elk geval dat we hebben aangetoond dat biostimulanten bijdragen aan een geslaagde teelt en daar echt waarde aan toe kunnen voegen. Hopelijk kunnen we het komende jaar doorstarten met een echte praktijkproef op grotere schaal. Daar zouden zowel de producenten als telers en adviseurs beslist baat bij hebben.”

Tekst: Jan van Staalduinen, beeld: Vertify