De Nederlandse glastuinbouw vervult wereldwijd een voorlopersrol, onder meer als het gaat om energiebesparing en weerbaar telen. En er worden wat dit betreft nog steeds stappen voorwaarts gezet. Onderzoeksinstellingen vervullen hierin een belangrijke rol. Maar er is ook een gevaar, benadrukt Maarten Vliex van onderzoeksinstituut Botany. “Datgene wat we in onderzoek voor elkaar krijgen, moet niet de standaard zijn voor beleid. Dan bestaat het risico dat de praktijk het niet kan bijbenen en bedrijven gaan afvallen.”
Maarten Vliex, directeur van Botany in Meterik, loopt er al langer mee rond: in onderzoek is heel veel mogelijk op het gebied van energiebesparing en weerbaar telen, maar de resultaten kunnen niet à la minute en een-op-een worden vertaald naar praktijkbedrijven. “We mogen absoluut trots zijn op waar we staan als Nederlandse glastuinbouwsector. En we zetten steeds opnieuw stappen vooruit, als het gaat om energiebesparing en weerbaar telen”, zegt Vliex.
Implementeren onderzoeksresultaten
“Als onderzoeksinstellingen proberen we telers verder te helpen. Daarbij worden we ondersteund door programma’s vanuit de overheid. Onderzoeken tonen dikwijls aan dat er heel veel mogelijk is. En die positieve onderzoeksresultaten delen we ook volop; bijvoorbeeld via vakbladen en seminars. Maar datgene wat we in een onderzoekssetting voor elkaar krijgen, kun je niet meteen kopiëren naar de praktijk. In een onderzoek worden dikwijls hightech installaties gebruikt, ook brengen innovaties flinke investeringen met zich mee. En die zijn op onderzoeksschaal wellicht nog te behappen, maar voor praktijkbedrijven is dat een ander verhaal. Zij hebben tijd nodig om een en ander te implementeren.”
Wisselingen van de wacht
Het gevaar schuilt er volgens Vliex in dat ondernemers onvoldoende tijd en ruimte krijgen voor de transitie, doordat de overheid de onderzoeksresultaten als basis neemt voor op te stellen beleid. “Beleidsmakers realiseren zich niet altijd voldoende wat op een bepaald moment al behapbaar is voor telers. Zij kunnen het verschil tussen onderzoek en praktijk niet altijd goed inschatten. Met het risico dat ze geen transitieperiode inbouwen en de lat té hoog wordt gelegd voor ondernemers.
Overigens is het wel uniek en van groot belang dat de overheid zich inzet om onderzoeks- en demotrajecten mogelijk te maken, voor de ontwikkeling van nieuwe teeltmethoden en -technieken.”
80 versus 40 kilometer per uur
Het niet of te beperkt inbouwen van een transitieperiode kan volgens Vliex grote gevolgen hebben voor de langere termijn. “Mogelijk vallen er dan zelfs bedrijven af en verliezen we onze voorlopersrol in de wereld. Daarom moeten we niet doorschieten in innovatiesnelheid; onderzoeksresultaten mogen niet het uitgangspunt vormen voor beleid.”
Het overheidsbeleid moet aansluiten bij datgene wat in de praktijk mogelijk is. “Het kan niet zo zijn dat de overheid 80 kilometer per uur wil rijden, terwijl 40 kilometer per uur het maximaal haalbare is voor de teler. Telers willen absoluut innoveren − dat is in de loop der jaren wel gebleken − maar ze moeten hier wel de tijd voor krijgen.”
Hogere prijs voor eindproduct nodig
Vliex benadrukt ook dat vooruitgang en innovaties op het gebied van energiebesparing en weerbaar telen de kostprijs van een teler omhoog stuwen. Dit betekent dat ook een hogere prijs voor het eindproduct moet worden betaald. “De overheid kan helpen om dit voor elkaar te krijgen. Bijvoorbeeld door het eten van gezonde producten, die duurzaam zijn geproduceerd, te promoten. En door bijvoorbeeld een campagne op te zetten om het eten van groenten ‘sexyer’ te maken. Dit kan absoluut een verschil maken in de vermarkting en voor de prijs die de teler ontvangt. Ook zou de overheid een lagere BTW kunnen hanteren op deze producten, om ze op die manier aantrekkelijker te maken voor de consument.”
Tekst: Ank van Lier, beeld: Vidiphoto











