Op zonnige dagen is het weer genieten in de kas: aangename temperaturen, condens op de ramen, het sissende geluid vanuit de CO₂ slangen. Dan weet je: nu gaat het groeien! Kortom: het voorjaar komt eraan. Hoe kunnen we hier, gezien vanuit een chrysantenbril, het beste van profiteren?
Belangrijk kenmerk van het voorjaarsweer is dat het heel sterk wisselend kan zijn. Hier moet je als teler ook in de klimaatregeling rekening mee houden: zorg voor flexibiliteit en rust.
Met stralingsinvloeden kan op veel plekken voor flexibiliteit gezorgd worden: uiteraard via een lichtverhoging op de ventilatietemperatuur, die nu nog fors kan zijn tot 5-6ºC, of juist een lichtverlaging op de vorstgrens of de minimum raamstand. Die laatste zorgt ervoor dat er bij zonnig weer wat makkelijker een paar procenten lucht wordt gezet, waardoor je minder snel op de ventilatietemperatuur hoeft te luchten.
Hogere etmaaltemperatuur bij zonnig weer
Rust is vooral in de ventilatieregeling van belang. De meestal nog koude en droge buitenlucht heeft grote impact op het binnenklimaat als je te agressief lucht. Hoge P-banden (14-18ºC), zeker bij lage buitentemperaturen zijn belangrijk. De maximum ramen sterk begrenzen is ook een optie, maar gaat ten koste van de flexibiliteit. Daarnaast is rust in de ventilatieregeling te realiseren door een lichtverhoging er rustig uit te laten lopen en bijvoorbeeld bij een energiedoekregeling een vertragingstijd voor open- en dichtlopen in te bouwen.
Bij zonnig weer mag de etmaaltemperatuur duidelijk hoger uitkomen (vuistregel: 2,5ºC per 1.000 joules/cm²). Probeer die extra temperatuur zoveel mogelijk uit de dagtemperatuur te halen via het knijpen van de luchtramen op straling en aan het einde van de dag op stralingssom (tot start donkertijd). Dit houdt de CO₂ in de kas en geeft dus extra groei.
Hoge nachttemperaturen kunnen tot onnodige verbranding van suikers leiden en aangezien je bij chrysant het hele gewas oogst, hoeven de suikers niet naar bijvoorbeeld vruchten getransporteerd te worden.
Japanse roest voorkomen
Ondanks de optimale groeiomstandigheden, kunnen er in de chrysantenteelt ook in het voorjaar kwaliteitsproblemen optreden. Eén daarvan is Japanse roest, wat juist in deze tijd makkelijk kan ontstaan. Dit komt dan niet vanwege hoge luchtvochtigheden, maar door de sterke temperatuurstijgingen die kunnen optreden.
Als in de ochtend het verduisteringsdoek open gaat, dan kan dit leiden tot een sterke temperatuurdaling, vooral bij koud, helder weer. Door de snelle stijging van de instraling loopt de temperatuur hierna weer snel op. De planttemperatuur in de kop van het gewas stijgt snel mee, maar de bladeren meer naar onderen blijven langer koud. Als de warmere kaslucht hierlangs komt, kan condensatie ontstaan. Als je in deze tijd van het jaar de eerste stippen dieper in het gewas vindt, dan ligt hier de oorzaak.
Als de stippen vooral in de kop van het gewas te vinden zijn, dan moet je de oorzaak juist aan het einde van de dag zoeken. Voor het sluiten van het schermdoek kan de planttemperatuur zakken (helder weer = uitstraling) en kan de kastemperatuur door het (te snel) sluiten van het doek te hard stijgen. Niet te vroeg (ochtend) of te laat (namiddag) het doek sluiten is dus een van de te nemen maatregelen.
Bloemlintverbranding
Een ander kwaliteitsaspect speelt vooral bij pluischrysanten. Een aantal rassen is in deze tijd zeer gevoelig voor bloemlintverbranding. Doordat de bloem nog vrij zacht is, kan dit al bij lage instraling optreden. Al schermen bij 300 W/m² instraling kan dan noodzakelijk zijn. Evenals een lagere lichtverhoging op de ventilatietemperatuur.
En zelfs optimale groeiomstandigheden kunnen toch kwaliteitsproblemen geven. Een aantal rassen kan te vegetatief gaan groeien, waardoor doorwas, ongelijke bloei of bloeivertraging optreedt als het warm en vochtig weer is en met veel CO₂ geteeld wordt. Lange donkertijden en in de nacht, een lage temperatuur en RV (veel actief ontvochtigen) kunnen dit probleem indammen, maar soms niet voorkomen. Dan is iets minder ‘ideaal’ telen noodzakelijk, dus meer luchten bij een lagere CO₂ concentratie. Misschien iets minder ‘genieten’, maar wel een beter eindresultaat.
Tekst: Paul de Veld, Delphy, beeld: Michel Heerkens













