Er is stevig ingezet op de herstructurering van kennisontwikkeling en innovatie binnen de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Die draaide vooral om de inrichting van publiek-private samenwerkingsverbanden en het vaststellen van de organisatorische en financiële kaders waarbinnen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen de onderzoek- en innovatieagenda’s kunnen opstellen en uitvoeren. Wijnie van Eck zit als een spin in het kennisweb en schetst het nieuwe landschap.

Hoewel het begrip publiek-private samenwerking (PPS) in relatie tot kennisontwikkeling en innovatie vooral de laatste jaren opgang maakt, is het beslist geen nieuw fenomeen. Feitelijk was daar eveneens sprake van toen het Productschap Tuinbouw via de vakheffing onderzoeksgelden bijeenbracht en toewees aan uiteenlopende programma’s en projecten. Via bijdragen aan universiteiten en kennisinstellingen zoals DLO en TNO deed ook de overheid een stevige duit in het zakje. Deze ‘gouden driehoek’ stond lange tijd garant voor de continuïteit van tuinbouwkundig onderzoek.

Meer bottom up

Binnen de nieuwe structuur voor kennisontwikkeling en innovatie, die mede voortvloeit uit het topsectorenbeleid van de overheid, werkt het net even anders. Het bedrijfsleven is nu veel nadrukkelijker betrokken bij de agendering en financiering van onderzoek dan voorheen. “Dat geldt natuurlijk eerst en vooral voor toegepast onderzoek, dat het dichtste bij de praktijk staat”, erkent Wijnie van Eck, coördinator Kennis en Innovatie bij LTO Nederland, manager van het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) Tuinbouw en adjunct-directeur van het TKI Agri&Food.
“Via brancheorganisaties zoals LTO Glaskracht Nederland, NFO, AVAG en Frugi Venta praat het bedrijfsleven echter mee over strategische en fundamentele onderzoeksvraagstukken. Je zou kunnen zeggen dat de agenda waarbinnen nu wordt gewerkt top-down is vastgesteld, terwijl de onderzoekssuggesties vanuit een bottom-up benadering op tafel komen, meestal via de gewascoöperaties en andere brancheorganisaties.”

Centrale toetsing en sturing

Alle onderzoekssuggesties worden door de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI) Tuinbouw & Uitgangsmaterialen centraal getoetst op kwaliteit en relevantie. In 2016 worden deze TKI’s overigens samengevoegd. “De TKI’s zorgen binnen de topsectoren voor de programmering van het onderzoek”, zegt de onderzoekscoördinator. “Het is onze primaire taak om die agenda op een slimme manier uit te voeren. Niet door zoveel mogelijk projecten uit te zetten, maar door ons te focussen op wat voor de sector en de maatschappij echt van belang is.”
In dat verband heeft de topsector vijf innovatiethema’s benoemd: Meer en Beter met Minder, Samenwerkende Waardeketens, Gezondheid en Welbevinden, Voedselveiligheid en Voedselzekerheid. Binnen zogeheten PPS-koepels bundelt het TKI T&U initiatieven en projecten die op deze thema’s aansluiten. Innovatiemakelaars spelen daarbij een sleutelrol.

Klein en dynamisch

“Het TKI is een kleine organisatie die programmeert en faciliteert”, legt de innovatiecoördinator uit. “Ook dat is een verschil met vroeger. Er is geen geld beschikbaar om grote organisaties op te tuigen en in stand te houden, dus we moeten efficiënt werken en versnippering voorkomen. Waar mogelijk worden de krachten gebundeld binnen de koepels. De portfolio is echter altijd aan verandering onderhevig. Als er een nieuwe PPS koepel of platform nodig is om specifieke thema’s en vraagstukken adequaat op te pakken, zal die er zeker komen. Daar wordt het bedrijfsleven eveneens nauw bij betrokken. Iedere koepel heeft een stuurgroep met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen. En de innovatiemakelaars worden door het bedrijfsleven betaald.”
Er is in de afgelopen twee jaar behoorlijk geschoven met PPS koepels en met de innovatiemakelaars die vraag en aanbod bij elkaar moeten brengen. Volgens Van Eck was dat geen teken van organisatorische zwakte, maar een logisch gevolg van het feit dat lopende onderzoeksprogramma’s moesten doorgaan, terwijl er tegelijkertijd nieuw beleid werd ontwikkeld en nieuwe organisatiestructuren ontstonden.

Innovatiemakelaars

Na de genoemde verschuivingen zijn er acht innovatiemakelaars actief. Met elkaar zijn zij verantwoordelijk voor zes PPS-koepels. Albert Haasnoot is verantwoordelijk voor PPS ‘Groen voor een gezonde leefomgeving’, Harrij Schmeitz en Henk Zwinkels nemen gezamenlijk ‘Tuinbouw Digitaal’ voor hun rekening, Helma Verberkt is verantwoordelijk voor ‘Het Nieuwe Doen in Plantgezondheid’, daarover kwam zij in november 2015 nog uitgebreid aan het woord in Onder Glas.
Ter vervanging van Margreet Schoenmakers neemt Madelinde Daane tijdelijk ‘Glastuinbouw Waterproof’ voor haar rekening, ‘Tuinbouw Logistiek’ valt onder Anton Bril en de PPS Uitgangsmaterialen (Better Plants for New Demands) wordt gecoördineerd door Bernard de Geus en Thijs Simons.

MIT-regeling en kennisvouchers

Het bedrijfsleven, kennisinstellingen en innovatiemakelaars weten elkaar goed te vinden, stelt Van Eck vast. “Vergeleken met andere topsectoren maakt T&U intensief gebruik van de MIT-regeling.” MIT staat voor MKB Innovatieregeling Topsectoren. Via deze regeling kan subsidie worden aangevraagd voor kennisvouchers, haalbaarheidsstudies en R&D samenwerkingsprojecten. In 2014 waren vooral de vouchers bij T&U in trek.
De resultaten van 2015 zijn nog niet volledig bekend, maar het budget was in elk geval groter dan in 2014. Het publieke aandeel in de MIT is bijeengebracht door het ministerie van EZ en de provincies. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de MIT-regeling uit met de provincies.

Onderzoeksprojecten

De meeste aanvragen voor onderzoek komen binnen via de gewascoöperaties, brancheorganisaties en onderzoeksinstellingen zoals Wageningen UR Glastuinbouw, Proeftuin Zwaagdijk en Delphy (voorheen DLV-GreenQ).
“Individuele tuinbouwbedrijven zullen niet snel zelf een project initiëren via het TKI”, aldus de onderzoekscoördinator. “Samenwerking met collega’s en/of toeleveranciers ligt meer voor de hand. Door partners te zoeken en kosten te delen, worden projecten haalbaar die anders te duur zouden zijn.”
Ook fundamenteel onderzoek blijft van groot belang, al staat dat inhoudelijk, organisatorisch en financieel wat verder van de bedrijven af. Voor projecten in dit bij uitstek universitaire domein is de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) de voornaamste financier.

In gesprek blijven

De relatief soepele wijze waarop tuinbouwsector en onderzoeksinstellingen zich aan de nieuwe structuren hebben aangepast, schrijft Van Eck mede toe aan de voortvarende inzet van ondernemersorganisaties zoals LTO (Glaskracht) Nederland, NFO, Frugi Venta en bloemenveiling FloraHolland. ”Deze organisaties hebben zich zeer actief opgesteld om de toekomst van het tuinbouwkundig onderzoek veilig te stellen”, merkt zij op. “De telersorganisatie was een drijvende kracht achter de oprichting van gewascoöperaties. Die zijn enorm belangrijk gebleken voor met name gewasgericht onderzoek.”
De onderzoekscoördinator rekent erop dat glastelers zich actief zullen blijven opstellen. “Aan vragen en ideeën is geen gebrek en ook de onderzoeksinstellingen blijven graag aan de weg timmeren. Het is wel van belang om gecoördineerd te werken en de onderzoeksagenda op een slimme manier te blijven uitvoeren. De innovatiemakelaars vormen in dat verband een goed eerste aanspreekpunt.”

Samenvatting

Binnen enkele jaren heeft de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen een werkbare structuur gevonden om invulling en uitvoering te geven aan de agenda voor kennisontwikkeling en innovatie. Publiek private samenwerking en een actieve rol voor innovatiemakelaars staan daarbij hoog in het vaandel. Via brancheorganisaties en gewascoöperaties weten ondernemers zowel hun vragen als hun eigen financiële bijdragen te bundelen.

Tekst: Jan van Staalduinen. Foto: Studio G.J. Vlekke

Gerelateerd