De schade door Fusarium in amaryllis is behoorlijk groot en wordt jaarlijks nog groter. De ziekteverwekker kan latent aanwezig zijn. Zo’n drie tot vier maanden na het planten zakt het gewas in elkaar. Nader onderzoek laat zien dat er dan veel Fusarium in de bol zit. Het chemische middelenpakket tegen schimmelziektes neemt af en is niet afdoende. Telers willen graag alternatieven om de ziekte beter in de hand te kunnen houden.

Bij de teelt van amaryllis kan het gaan om de bol of de bloem. De bollenteelt richt zich op de teelt van bollen bestemd voor de snijbloementeelt, of voor de consument als droge bol of bol op pot. Deze bollen groeien in de grond.
De bloementeelt is een jaarcyclus, waarbij de bol drie tot vier jaar meegaat. Deze bollen groeien in volle grond, perliet of kleikorrels. De bloementelers krijgen hun bol door hergebruik van de eigen bollen of ze kopen deze bij bollentelers. De bollen zijn het kapitaal van de bloementeler.
Het onderzoek naar Fusarium wordt uitgevoerd op verzoek van amaryllistelers en in nauwe samenwerking met die telers en adviseur Jan Overkleeft. Het is gericht op de problemen zowel bij de bollen- als de bloementeelt.

Ziekteverwekker

De eerste vraag waarmee wetenschapper André van der Wurff en gewasonderzoeker Arca Kromwijk van Wageningen University & Research in Bleiswijk aan de slag gingen, was om welke soorten het gaat. Ze kregen zieke bollen vanuit de praktijk van zelfstandig adviseur Overkleeft. Hij verzamelde anoniem ‘zieke’ bollen bij vijf bedrijven, bij ieder vijf bollen.
De onderzoekers isoleerden de ziekte uit verdacht weefsel. “Bij onze locatie in Wageningen hebben we een databank voor schimmels. Met behulp van een DNA-techniek is het mogelijk om te bepalen om wélke soort het gaat. Deze methode is zeer nauwkeurig en betrouwbaar. Het gaat om F.solani, F.oxysporum en F.proliferatum”, vertelt Van der Wurff.

Antagonisten

De volgende stap, die de onderzoekers gelijk meenamen, is kijken naar mogelijke antagonisten. Daarvoor gebruikten ze meerdere monsters van gebruikte perliet en kleikorrels uit de praktijk. Op deze substraten wordt normaal gesproken drie tot vijf jaar geteeld.
“Via een zelf ontwikkelde methode hebben we de antagonistische bacteriën uit het substraat gehaald”, vervolgt Van der Wurff. “In het laboratorium hebben we ze vervolgens getest op een mogelijk antagonistische werking tegen twee soorten: F.solani en F.oxysporum. Ons criterium was dat ze het probleem op labniveau voor zeker 50 procent moeten kunnen onderdrukken. Van de beste acht hebben we laten bepalen om welke bacterie het gaat. Het blijkt te gaan om algemeen voorkomende soorten, die ervoor zorgen dat het probleem in het wortelmilieu afneemt.”

Ziek maken

Een eerste voorwaarde voor het doen van een (kas)proef naar een bestrijdingsmethode, is dat het mogelijk moet zijn om eerst zélf de planten via een standaardmethode ziek te kunnen maken met de drie ziekteverwekkende schimmelsoorten. Dit is soms lastiger dan op het eerste oog gedacht. Uiteindelijk leidde dit tot een proef met heel veel variabelen. Er waren sowieso vijf mogelijke besmettingsopties: besmetting met de drie genoemde soorten afzonderlijk, met een mengsel van de drie en een blanco ter vergelijking. De ziekteverwekkers zijn in drie verschillende concentraties toegediend en de proeven zijn zowel in kleikorrels als perliet gedaan.
En dan was het nog belangrijk om een goede manier van besmetten te vinden. Hiervoor keek Kromwijk naar de praktijk. “Daar worden de amaryllisbollen voor het herplanten in het nieuwe seizoen ‘verjongd’ door de oude wortellaag onder de bol weg te snijden. Dit heet zolen. In de praktijk krijgen bollen drie weken de tijd om te drogen. Wij hebben de verse wond gebruikt om de bol te besmetten en dit vergeleken met besmetting van bollen waar de zool nog onder zat.” Dit leidde uiteindelijk tot een uitgebreide kasproef met circa 700 potten om een statistisch betrouwbaar resultaat te krijgen.
Uit het onderzoek bleek dat het mogelijk is om planten ziek te maken. Dus groen licht om met het onderzoek verder te gaan. Alleen duurde dit langer dan verwacht: elf in plaats van zes weken. Bovendien bleek uit deze proef dat er geen uniek ziektebeeld per schimmel ontstond. Bij ieder van de soorten was er een breed scala aan symptomen in de bol te vinden.

Beste aanpak

Met de verworven kennis werd het mogelijk om de volgende stap te zetten. Vanuit verschillende bronnen haalden de onderzoekers hun bestrijdingsmethodes. Bij elkaar zijn dat achttien verschillende behandelingen om te checken. Bij deze proef is alleen met F.solani gewerkt.
Van der Wurff: “We hebben fifty/fifty commerciële middelen en antagonisten getest. Deels zijn dit ‘groene’ middelen die rechtstreeks werken tegen Fusarium. Daarbij zitten middelen die we ook kennen vanuit onderzoek bij andere teelten, waaronder experimentele middelen die nog wachten op een toelating. Voor een deel zijn het plantversterkers, die we uit eigen ervaring kennen of via amaryllistelers. Zo gebruikte een teler een algenpreparaat dat we nu gelijk in dit onderzoek meenemen. En dan onze beste acht antagonisten.”
Deze proef is half augustus gestopt. De belanghebbende telers zijn na afloop uitgenodigd. De eindresultaten zijn nog niet bekend. Doel is de behandeling uit te kiezen, die het minste schadebeeld oplevert. De beide onderzoekers hopen dat de oplossing komt vanuit de antagonisten. “We hebben een vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd bij biologische groentetelers. Er waren biologische groenten die veel last hadden van aaltjes. Daar hebben we toen effectieve antagonisten gevonden.”

Symptomen

Het bracht een schok teweeg bij de amaryllistelers dat de symptomen door elkaar liepen. Daarom is besloten om hier nog eens extra aandacht aan te besteden. Bij eerdere proeven is niet achteraf gecheckt of het symptoom inderdaad toe te schrijven is aan de desbetreffende schimmel.
Op dit moment kijken de onderzoekers daarom nog eens in het lab naar het materiaal vanuit eerdere proeven. Per type symptoom laten ze nieuw DNA-onderzoek doen. Pas als uit een check achteraf blijkt dat in bepaalde ziektebeelden maar één schimmel wordt teruggevonden, kan een direct verband worden aangetoond.

Masterplan

Veel meer gewassen hebben problemen met Fusarium, zoals chrysant, lisianthus, gerbera, amaryllis en phalaenopsis. Van der Wurff heeft daarom een masterplan geschreven dat breed over de verschillende gewassen heen kijkt en dit ingediend bij de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Vanuit het bedrijfsleven betalen vooral de gewascoöperaties van de verschillende bloemisterijgewassen mee, maar ook veredelingsbedrijven van chrysant en Bejo Zaden.
Het beoogde project gaat bestaan uit een combinatie van fundamenteel en toegepast onderzoek. “De collega’s van PRI kunnen de ziekte met een fluorescerend middel labelen en dan volgen hoe het de plant binnengaat”, noemt Van der Wurff als voorbeeld. Hij denkt dat er met zo’n groot project veel meer slagkracht is en er kansen zijn om veel van elkaar te leren vanuit de ervaringen in de verschillende gewassen.

Tekst en beeld: Marleen Arkesteijn