Heel nauwkeurig bemesten en watergeven zijn niet alleen de sleutel om emissie te beperken, maar dienen voornamelijk als instrument om het gewas in topconditie te brengen. Want daar draait het uiteindelijk om. Barry Middelburg heeft de bovengrondse groei van zijn chrysanten goed onder controle en duikt nu dieper in de wereld van wortels en bodemleven. Een goede bodemanalyse helpt hem daarbij.

Als kleine jongen verhuisde Barry Middelburg met zijn ouders van het Westland naar het Brabantse Made. Chrysanten, daar houdt hij van. Liefst veel verschillende rassen en kleuren. Het was dus geen verrassing dat hij graag tuinder wilde worden, want hij liep al jong mee in familiebedrijf Leen Middelburg Chrysanten. Toch kwam de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering sneller dan verwacht, omdat zijn vader twee jaar geleden overleed. Maar met de warme en praktische hulp van zijn familie staat hij er als jonge ondernemer niet alleen voor.
In de kas is het jaarrondprogramma in volle gang. De geoogste bloemen schuiven via de transportband onder het hoofdpad naar de schuur om te worden verpakt. De donkere zandgrond is alweer bewerkt en de plantmachine rijdt door de kappen. Eens per jaar stoomt hij de grond, zo vertelt hij. Vervolgens komen daar gedurende het seizoen vijf teelten op te staan. Biologische bestrijding krijgt veel aandacht. Het lukt hem steeds beter om trips onder controle te houden.
Alles draait bij hem om een sterk en weerbaar gewas. Die weerbaarheid dwingt hij als het ware af door de jonge planten de eerste dagen heel spaarzaam te gieten. Aan de hand van de kleur van het perspotje bepaalt hij het moment om te beregenen, zodat de wortels worden gedwongen om naar water te zoeken. Een sterk wortelstelsel is voor hem de basis voor een gezond gewas.

Beschikbaarheid

De conditie van de grond en het bemestingsniveau zijn voor hem eveneens een belangrijke pijler. Deze middag zijn Katrin Oltmer (R&D) en Jan Hardeman (productmanagement) van Eurofins Agro op bezoek om uitleg te geven over bodemanalyse. Het bedrijf dat is gespecialiseerd in monstername, analyse en adviezen heeft naast veel ervaring in de glastuinbouw ook veel kennis in de open teelten.
Een ontwikkeling op analysegebied, die voortvloeit uit de samenwerking tussen beide sectoren, is de ‘Bemestingswijzer Kasgronden’, die binnenkort wordt geïntroduceerd. Hardeman: “De bemestingsniveaus in de kasteelten zijn veel hoger dan die van de buitenteelten. Bovendien is de glastuinbouw gewend om met directe beschikbaarheid van nutriënten te werken.” Die directe beschikbaarheid bepalen wij hoofdzakelijk door het monster te spoelen met water en daarvan de waardes te bepalen, licht Oltmer toe. “Maar er zijn meer nutriënten aanwezig, die door hun binding aan het klei-humuscomplex minder gemakkelijk beschikbaar komen”, vult zij aan. “Het is voor ons analisten een uitdaging om deze bodemvoorraad te bepalen.”

Klei-humus complex

De dynamiek van de chrysantenteelt is heel anders dan die van een akkerbouwgewas. De teelt duurt maar tien weken en er volgen meerdere teeltrondes in één jaar. “Het is voor ons lastig om het effect van een voorraadbemesting volgens het bemestingsadvies te beoordelen”, vindt de teler. “Die effecten komen vaak pas naar voren na een paar teelten.” Met een aantal collega’s is hij in deze materie gedoken, waarbij ze ook naar het klei-humus complex kijken.
De bepaling van de CEC (Cation Exchange Capacity= Kation uitwisselingscapaciteit) zegt iets over de verhouding aan gebonden voedingsstoffen binnen het klei-humus complex. Dit zijn Ca, Mg, K, Na en in mindere mate NH4+, Al, Fe, Mn en H. De Ca-CEC is een hele belangrijke, want calcium is een groot molecuul dat tussen de kleiplaatjes voor structuur zorgt en de grond minder slempgevoelig maakt. Een hoge Ca-bezetting geeft een weerbaar gewas, omdat de grond meer zuurstof kan bevatten en de wortels zich daardoor goed kunnen ontwikkelen.

Voorraadvat

De chrysantenteler is alert op het calciumniveau, niet alleen vanwege de belangrijke rol in de pH-regeling of bodemstructuur, maar vooral voor de kwaliteit van het gewas. “Een tekort zien we al snel terug in de bladkwaliteit of holle stelen.” “Daarom is het zo belangrijk om alert te zijn op de verhouding tussen de tweewaardig geladen elementen calcium en magnesium en de eenwaardig geladen elementen kalium en natrium aan het klei-humuscomplex”, verduidelijkt Hardeman. “En is het nodig om regelmatig organische stof en eventueel klei toe te voegen, om het klei-humus complex te vergroten.”
Hoe groter het complex, des te meer voedingstoffen er kunnen worden gebonden. Dit staat in het verslag als de hoeveelheid mmol+ (positief geladen deeltjes) per kilogram droge grond. Zo krijg je een soort voorraadvat van elementen die vanuit de bodem worden nageleverd tijdens het teeltseizoen.

Kwaliteit bodemleven

Naast een goede voedingstoestand, zijn ook het organische stof gehalte en het bodemleven belangrijk, weet de teler. Deze krijgen op dit bedrijf veel aandacht. Middelburg strooit bijvoorbeeld iedere teeltronde kippenmestkorrels (NPK-samenstelling 4+2+10) om wat organische stof toe te voegen, om vocht vast te houden en om het bodemleven te bevorderen. Van deze korrels is bekend dat de voedingsstoffen langzamer vrijkomen dan van kunstmest. Daarnaast hebben ze een positief effect op de ontwikkeling van de roofvlieg Coenosia, die mogelijk tripslarven eet.
“We voegen ook Trichoderma-schimmels toe. Zo proberen we gezonde schimmels en bacteriën te stimuleren en Pythium te onderdrukken”, legt Hardeman uit. Voor de R&D-afdeling van het bedrijf is bodemleven een belangrijk onderzoeksterrein. Oltmer: “Wij ontwikkelen nieuwe technieken om de kwaliteit van het bodemleven in beeld te brengen. Die moeten uiteindelijk bruikbaar en betaalbaar zijn voor telers. Uiteindelijk willen we toe naar een ‘dashboard’ voor weerbaarheid.

Vochthoudend vermogen

Middelburg baseert watergeven op zijn ervaring. Hij prikt elke week op meerdere plaatsen in de grond en waardeert het vochtgehalte met een cijfer. Daarop besluit hij water te geven. Vochtsensoren gebruikt hij nog niet. Met deze manier van werken weet hij de drain toch op 1% te houden. Zo beperkt hij eventuele uitspoeling tot een minimum.
Ook hij zal binnen enige tijd moeten voldoen aan het lozingsbesluit. “Hier in Made hebben we een collectief gevormd, waardoor we nog even uitstel hebben. Ik ben me nog aan het oriënteren op de beste methode”, geeft hij aan, “maar het begint met nauwkeurig sturen van de watergift.”
De bepaling van het vochthoudend vermogen van de grond kan dus een handvat zijn voor de teler. Dit is een bepaling die in de akkerbouw opgang maakt. Het vochthoudend vermogen wordt vastgelegd in de waterretentiecurve op basis van de fysische bodemeigenschappen van klei, silt, zand en organische stof, uitgedrukt in de pF-waarde. Als deze waarde daalt tot het vastgestelde verwelkingspunt, is het tijd om water te geven. Door de gegevens van vochtsensoren in de grond te combineren met de pF-curve van de grond is de optimale watergift exact te bepalen.

Teeltprestaties verbeteren

“Voor mij is de bodem een groot gebied waarover al veel bekend is, maar ook nog heel veel niet. Ik denk dat er nog heel veel kansen liggen om met aandacht voor de grond onze teeltprestaties verder te verbeteren”, vindt de teler.
“Dat geldt eveneens voor ons”, meent Hardeman. “We hadden een beperkt analysepakket, maar zijn op weg naar de ontwikkeling van een totaalpakket. In principe kunnen we alles meten, maar het omzetten van deze gegevens naar een goed advies vraagt nog veel meer aandacht. Een lichtpuntje is dat we in Nederland wel voorlopen in kennis ten opzichte van andere landen.”

Tekst en beeld: Pieternel van Velden