Geïntegreerde gewasbescherming of Integrated Pest Management (IPM) omvat méér dan alleen nuttige beestjes inzetten. Sinds begin 2014 zijn alle Europese land- en tuinbouwbedrijven verplicht om het toe te passen. De Nederlandse glastuinders lopen hierin voorop, maar er blijven genoeg uitdagingen over. LTO Glaskracht zet met het plan ‘Glastuinbouw IPM-proof’ in op delen van kennis, blijven innoveren én afstemmen van de toelating van middelen.

De richtlijn 2009/128/EG stamt al uit 2009 en werd in 2014 van kracht. De acht grondbeginselen van IPM (zie kader) komen erop neer dat telers zo veel mogelijk niet-chemische methoden gebruiken en zo min mogelijk pesticiden inzetten. In de glastuinbouw is dit gemeengoed, zeker als je de sector vergelijkt met andere teelten en andere landen. Toch is achteroverleunen geen optie.
Helma Verberkt, programmamanager Plantgezondheid van LTO Glaskracht Nederland: “Onze glastuinbouw is geconcentreerd in een aantal gebieden met meer risico op piekbelasting in de emissie. Daarom ligt de sector onder een vergrootglas. Bovendien is de toelating van middelen steeds strikter en niet altijd in lijn met de geïntegreerde grondbeginselen. Telers lopen tegen grenzen aan. Daarom moeten we nieuwe sprongen maken in IPM.”

IPM in de praktijk

Met die analyse zijn glastuinders het volledig eens. Een aantal voorlopers uit de deelsectoren potplanten, snijbloemen en glasgroenten, dat deel uitmaakt van de Ondernemersgroep Plantgezondheid, past de principes van IPM zo goed mogelijk toe. Vaak met succes, maar soms zijn de maatregelen niet toereikend, vertelt chrysantenteler René Eikelenboom. Hij is een van de eigenaren van Arcadia Chrysanten in Aalsmeer, een bedrijf in tros- en pluischrysanten van 20 ha op vijf locaties.
“Wij zetten zoveel mogelijk biologische bestrijders in. Voor de mineervlieg en spint werkt dat heel goed. Maar trips is de laatste jaren een echt probleem. Ondanks een gewasbeschermingsplan, nauwgezette monitoring en maximale inzet van biologische bestrijders, is de tripsdruk groot. We hebben op onze locaties verschillende strategieën toegepast. We hoopten de ideale methode te vinden, maar die zat er niet bij. De komende jaren kunnen we niet zonder correctiemiddelen, maar die worden schaarser. Dat zet geïntegreerd telen onder druk. Ik zie ook om me heen dat telers meer gaan leunen op de chemische kant, maar dat is niet de manier. Met andere tripsbestrijders en weerbaarder telen kunnen we kleine stappen zetten. Tripsbestendige rassen zijn misschien de sleutel, maar dat is een lange weg.”

Weerbaarder plant

In de potplantenteelt is trips eveneens de moeilijkst biologisch te bestrijden plaag, maar dat lukte het afgelopen jaar goed. Het anthuriumbedrijf Stolk Brothers in Bergschenhoek staat bekend om zijn duurzame aanpak. Vader en oom Stolk kozen in de jaren ’90 al voor biologische bestrijding. Aan IPM moet je echter blijvend aandacht geven, zo ervaart Pieter Stolk.
“Hoewel door inzet van biologische bestrijders ons chemiegebruik altijd laag is geweest, zag ik de afgelopen jaren het aandeel chemie langzaam toenemen. Daarom hebben we eind 2014 samen met Koppert een masterplan gemaakt en nog sterker ingezet op biologie. Door de inzet van verschillende bestrijders en andere technieken konden we 60 procent minder werkzame stof inzetten en het gebruik van neonicotinoïden compleet uitbannen.”
Over de inzet van Natugro, micro-organismen die het bodemleven versterken, is Stolk zeer te spreken. “Het zorgt voor een beter wortelgestel en een weerbaardere plant. Maar de toepassing daarvan is voor elke teelt anders. Bovendien is het moeilijk om de vinger te leggen op hoe de nuttige bacteriën en schimmels werken. Daarin is nog veel te onderzoeken.”
Helemaal chemievrij telen is zijn streven, maar dat gaat zeker nieuwe vragen opleveren. “Omdat we minder chemie gebruiken, zie ik meer spinnen en wantsen in de kas. Daar moeten we wat mee.”

Wekelijks scouten

In de tomatenteelt is chemie sporadisch nodig. Met goede hygiëne en een groot aantal biologische bestrijders zijn de meeste ziekten en plagen onder controle te houden. Lans Tomaten, met 52 ha glas en vijf vestigingen, zet maximaal biologie in. Witte vliegen en luizen krijgen zo geen kans, vertelt Vincent van der Lans.
“Wekelijks scouten we. Als de aantallen te hoog zijn, sturen we ons plan bij. Alleen rupsen zijn soms moeilijk te bestrijden. Helaas moeten we dan een chemisch middel gebruiken. Lastig, want dat verstoort het evenwicht in de kas.” Van Fusarium heeft het bedrijf gelukkig niet veel last, want daar zijn weinig middelen tegen. Van der Lans benadrukt dat hij kennisuitwisseling binnen het bedrijf, met andere telers en met de bioleverancier belangrijk vindt om geïntegreerde gewasbescherming verder te brengen.

Out of the box

Met deze ervaringen uit de praktijk als input is het plan ‘Glastuinbouw IPM-proof’ opgezet. Dat is een vierpuntenplan, gericht op nu én op de lange termijn. “We willen op de eerste plaats leergroepen opzetten, die kennis uitwisselen. Over de gewassen heen, met deskundigen erbij. De verschillen tussen de bedrijven zijn nog steeds heel groot.”
Naast de kennis van nu zijn er ook grote systeemsprongen nodig door ‘out of the box’ te denken, meent Verberkt. Dat is het tweede onderdeel. Het vierjarig innovatieprogramma ‘Green Challenges’ omvat een onderzoeksplan, gehonoreerd door de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen met financiering door het ministerie van EZ en de sector via het Productschap Tuinbouw. “Op 21 januari is daarvoor de kick-off-bijeenkomst geweest. Daar hebben we ideeën uitgewisseld en systeemsprongen benoemd, ook met ketenpartners als Ahold. Heel inspirerend.”

Toelating meer in lijn

Het derde onderdeel is afstemmen van het Nederlandse toelatingsbeleid van middelen op de Europese principes van IPM. De brancheorganisatie is van mening dat het toelatingsbeleid mee moet innoveren voor verdere vergroening van het middelenpakket. Daarover overlegt Verberkt met het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA).
“We zijn druk in gesprek. Hoe kunnen we meer vanuit het systeem denken dan vanuit elk middel apart? Is het mogelijk dat de groene middelen met een laag risico een kortere procedure doorlopen? Kan de huidige fijnmazige indeling in gewassen niet anders? Door alleen hoofdgroepen te benoemen gericht op emissie, zou er meer logica in de toelating komen. Wij pleiten voor een duidelijke risicobeoordeling op mens, dier en milieu en minder nadruk op effectiviteit en fytotoxiciteit. Zo kost het de aanvragers minder tijd en geld. En uiteraard pleiten wij voor een gelijk Europees speelveld”, meent de programmamanager Plantgezondheid.

Gewasbescherming van de toekomst

Het laatste onderdeel is werken aan een nagenoeg gesloten kas. Enerzijds om de emissie tot nul te brengen, anderzijds om te voorkomen dat ziekten en plagen de kas binnen kunnen komen. Daarvoor zoekt het plan aansluiting bij andere grote innovatieprogramma’s als Kas als Energiebron en Glastuinbouw Waterproof. Verberkt: “De kas wordt steeds meer een volledig circulair systeem. De gewasbescherming van de toekomst moet ook in dat plaatje passen.”


Acht principes van Integrated Pest Management

1. Preventie door bijvoorbeeld teelttechniek, rassenkeuze en hygiëne
2. Monitoren van schadelijke organismen.
3. Besluiten nemen op basis van drempelwaarden.
4. Toepassen van niet-chemische methoden.
5. Doelgericht inzetten van pesticiden met lage milieubelasting.
6. Beperken van pesticiden tot noodzakelijk niveau.
7. Afwisselen van pesticiden vanwege resistentie.
8. Continu evalueren van beheersmaatregelen.


Samenvatting

De Nederlandse glastuinbouw is al ver met Integrated Pest Management (IPM), maar toch lopen telers van sommige gewassen tegen grenzen aan. LTO Glaskracht heeft een vierpuntenplan opgezet om de geïntegreerde gewasbescherming nu en in de toekomst een impuls te geven.

Tekst: Karin van Hoogstraten. Foto’s: Studio G.J. Vlekke en Royal Brinkman.

Gerelateerd