Onlangs ondertekende een brede coalitie van stakeholders en ngo’s het Convenant Milieu-impact potgrond en substraten. VPN-directeur Hand de Groot spreekt van een historische mijlpaal, waar ruim een jaar aan is gewerkt. “De discussie gaat niet meer over veenvrije potgrond, maar over reductie van de milieu-impact in brede zin. Dat is winst, niet in de laatste plaats voor de vele telers die organisch substraten gebruiken.”

Over de totstandkoming van het convenant, waarin de substraatbranche en Glastuinbouw Nederland voor een belangrijk deel samen optrokken, is uitvoerig bericht in de augustus editie van Onder Glas. VPN-directeur Han de Groot vertelde toen dat het overleg tussen ketenpartijen, ngo’s en het Ministerie van LNV spoedig zou resulteren in een breed gedragen convenant. Details over de afspraken mocht hij toen nog niet geven. De ondertekening op 18 november maakte het convenant definitief.

Het convenant in het kort

Voor 2025 is het doel om meer hernieuwbare grondstoffen te gebruiken; gemiddeld 35% van het potgrondvolume voor professioneel gebruik en 60% van potgrond voor consumentenmarkt. Het gebruik van compost dient dan te zijn verdubbeld tot 600.000 m³. Ook is afgesproken om dan uitsluitend 100% verantwoord gewonnen veengrondstoffen te gebruiken (RPP-label of gelijkwaardig).
Voor 2030 ligt het beoogde volume-aandeel van hernieuwbare grondstoffen voor consumentenpotgrond op minimaal 85%. Voor de professionele markt loopt er nu een onafhankelijk onderzoek naar de beschikbaarheid en milieu-impact van grondstoffen. Dit moet in 2023 inzicht en onderbouwing opleveren voor een nieuwe doelstelling voor 2030.
In 2050 is de doelstelling alleen gebruik te maken van substraten die geen negatieve milieu-impact geven in de keten en CO2-neutraal zijn. Het percentage hernieuwbare grondstoffen moet dan minimaal 90% van het totale ketenvolume bedragen.

Beschikbaarheid en kwaliteit waarborgen

De Groot noemt de doelstellingen ambitieus, maar haalbaar wanneer de beschikbaarheid en kwaliteit van hernieuwbare organische grondstoffen kan worden gewaarborgd. “Dat is nu nog onvoldoende het geval”, stelt hij vast. “De fabrikanten werken er hard aan en met flankerend beleid van de overheid kunnen er grote stappen worden gezet. Tegelijkertijd hebben telers tijd nodig om nieuwe substraatmengsels te beproeven en hun teeltwijzen aan te passen. Ook om die reden is een gefaseerde transitie noodzakelijk.”

Ketenbreed commitment

Het convenant voorziet ook in een voorlichtingscampagne voor consumenten over gebruikte grondstoffen en de milieu-impact van potgrond. “In het maatschappelijke debat, ook internationaal, wordt nog steeds geroepen dat veenwinning het milieu schaadt en daarom gestaakt dient te worden, zonder in te gaan op de milieu-impact van andere grondstoffen”, verklaart de VPN-directeur.
“Eén van de grootste winstpunten van dit convenant is dat hierin het juiste accent wordt gelegd. Het gaat niet om veenvrij of om alleen CO2-uitstoot, maar om de volledige milieu-impact van potgronden en substraten gedurende hun levenscyclus. Dat zal breder worden uitgedragen, onder andere door de betrokken kennispartners en retailorganisaties. Het is goed om te zien dat niet alleen telers en producenten, maar de gehele keten zich via dit convenant committeert aan het hogere doel om de milieu-impact van potgrond en substraat te verminderen.”

Tekst: Jan van Staalduinen