Van oorsprong groeiden planten in wat we later, toen we het meeste wel ‘ontgonnen’ hadden, natuur zijn gaan noemen. Jonge mensen in Nederland, de havo-scholieren, hebben behoorlijk wat belangstelling voor de natuur. We kwamen daar ruim twaalf jaar geleden achter toen we een dip hadden in onze aanmeldingen voor de opleiding Tuinbouw en akkerbouw. Dat was niet alleen bij de HAS zo, ook InHolland, Aeres en VHL hadden er behoorlijk last van en Plant Sciences in Wageningen was er ook niet best aan toe.

We hebben toen eens goed gekeken naar de vakkenbelangstelling van onze potentiele instroom. Wat bleek? Tot onze verbazing vonden zowel de jongens als de meisjes biologie het leukste vak. Het stond bovenaan. En we hadden eigenlijk geen idee waarom ze dan niet gewoon Tuinbouw en akkerbouw of Dier- en veehouderij zouden kiezen. Wel hebben we een vermogen besteed aan mogelijke nieuwe namen, mogelijke effecten ervan op de aanmeldingen, maar uiteindelijk hebben we besloten geen oude wijn in nieuwe zakken te stoppen.
De opleiding Tuinbouw en akkerbouw heet nog steeds gewoon zo, en is en blijft zo prima herkenbaar. Het aantal studenten is weer aardig op peil, maar we leveren eigenlijk nog steeds te weinig afgestudeerden af, die echt voor de arbeidsmarkt beschikbaar komen. Het ouderlijk bedrijf lokt en de rest is elders snel aan de bak.

En die jonge mensen met zo’n grote belangstelling voor biologie, die komen nu alweer een jaar of tien naar de grootste HAS-opleiding: Toegepaste biologie. De studenten komen binnen met een grote en brede biologische belangstelling, die zich wel vooral richt op grote wilde dieren en planten in de natuur. Maar tijdens de studie op school, tijdens stages en afstudeerprojecten zien ze veel mooie voorbeelden van inspirerende dingen die je kunt doen met planten in de tuinbouw en akkerbouw; de commerciële biologie dus. Een aanzienlijk deel van de studenten besluit hierdoor die kant op te gaan. De afgestudeerde biologen komen vooral terecht in het toegepaste onderzoek, bijvoorbeeld bij de zaadbedrijven en andere tuinbouwtoeleveranciers. En die kunnen ze prima gebruiken.

Van oorsprong verzamelden mensen dus hun eten, kruiden en medicinale gewassen in de natuur, maar al doende leerden ze dat je die planten ook eenvoudig dicht bij huis kunt laten groeien en waren tuinders nog warmoezeniers. Ze produceerden al snel meer dan je lokaal kon afzetten en van local-for-local werd het al snel export naar de landen om ons heen en tegenwoordig ongeveer de hele wereld.
Met een kas kun je jaarrond produceren op plaatsen waar dat van nature niet kan. De planten zitten dan wel in gevangenschap en niet meer in de natuur natuurlijk. De ultieme vorm van planten in gevangenschap is vertical farming. De nieuwsberichten met miljoenen voor verticals farms, vliegen ons om de oren. Gek genoeg is tegelijkertijd het voedselbos met een comeback bezig, en local-for-local ook.

Hoewel de groene studenteninstroom gewoon op peil blijft, hebben we samen met Wageningen Universiteit toch weer wat nieuws bedacht om nog meer aandacht van studenten voor onze sector te trekken. Hoewel prematuur, groeit het idee om een bachelor minor ‘Urban and Vertical Farming’ te ontwikkelen. Daar kunnen dan zowel Nederlandse als buitenlandse studenten vanuit bachelors of applied sciences (hbo) als vanuit bacheloropleidingen van wetenschappelijke universiteiten aan deelnemen. Hoewel vertical farming booming business lijkt, denken we toch ook via deze move vooral belangstelling voor planten in gevangenschap in de high-tech glastuinbouw te trekken.

Net zoals de rest van de sector, zijn we altijd veel te bescheiden geweest. Een gerespecteerde marketingcollega zei ‘Be good and tell it’. Wat mij betreft verzint de sector een list: ‘Be better and tell it’. Biologie als list doet het best goed……

Jasper den Besten, Lector Nieuwe Teeltsystemen