Biostimulanten bevatten vaak een mengsel van meerdere inhoudsstoffen. Naast bekende stoffen als salicylzuur, silicium, humus- of fulvinezuren of aminozuren, kun je ook bioflavanolen tegenkomen. Bioflavanolen (vaak breder aangeduid als flavonoïden of flavanolen) zijn natuurlijke polyfenolische verbindingen die voorkomen in planten, algen, schorsen en sommige microbiële extracten. In biostimulanten worden ze vooral opgenomen vanwege hun invloed op plantstress, wortelontwikkeling, nutriëntenopname en interacties met het plantenmetabolisme.
Bioflavanolen behoren tot de familie van flavonoïden. Dit zijn secundaire plantenstoffen die een belangrijke rol spelen in bescherming tegen ziekten en plagen en antioxidatieve processen. Bekende voorbeelden zijn catechine, quercetine en kaempferol. Deze stoffen komen van nature voor in: zeewierextracten, druivenpitten, citrusschillen, thee-extracten, hout- en schorsextracten en sommige microbiële fermentatieproducten.
De rol van bioflavanoïden in biostimulanten
Bioflavanolen in biostimulanten functioneren vooral als antioxidanten, regulatoren van plantensignalen, ondersteuners van wortelontwikkeling, modulatoren van microbiële interacties, hulpmiddelen voor nutriëntenbeschikbaarheid. Hun grootste waarde ligt meestal in het verhogen van de weerbaarheid en efficiëntie van planten onder suboptimale omstandigheden, meer dan in directe groeistimulatie alleen.
Het verminderen van oxidatieve stress
Eén van de belangrijkste functies is het verminderen van oxidatieve stress. Onder droogte, hitte, zoutstress of UV-straling produceren planten reactieve zuurstofmoleculen (ROS). Bioflavanolen werken als antioxidanten en helpen deze vrije radicalen neutraliseren. Dit zorgt als een natuurlijke zonnebrand voor onder meer minder celschade, stabielere fotosynthese, betere tolerantie tegen abiotische stress en een sneller herstel na stress.
Invloed op microbiële interacties
Daarnaast hebben bioflavanolen ook een belangrijke invloed op microbiële interacties. In de wortelzone stimuleren ze samenwerking met gunstige bacteriën en schimmels en mycorrhiza vorming. Sommige flavonoïden functioneren zelfs als signaalmoleculen tussen plant en micro-organismen. Ook de specifieke rol bij de nutriëntenopname is belangrijk. Bepaalde flavonoïden kunnen metaalionen binden (chelatie), wat invloed heeft op de beschikbaarheid van ijzer, opname van micronutriënten en buffering van toxische metalen. Hierdoor worden ze soms gecombineerd met sporenelementen in hoogwaardige biostimulantformuleringen.
Toepassing in commerciële producten
Bioflavanolen worden vaak verwerkt in combinatie met zeewier, aminozuur, fermentatieproducten, humus- en fulvineproducten en vloeibare bladmeststoffen tegen stress. Ze worden niet altijd als aparte werkzame stof op het etiket genoemd, maar kunnen ook aanwezig zijn in plantaardige extractfracties. Vorig jaar heb ik de eerste testen begeleid met bioflavanolen in sierteeltgewassen en daarin was duidelijk een actievere groei en wortelproductie te zien. Wat ook duidelijk is, is dat elke cultivar anders kan reageren op een biostimulant. Voor een teler blijft dit dus om maatwerk vragen, zeker in de sierteeltsector waar vaak meerdere cultivars in een kas aanwezig zijn.
Aan de slag met biostimulanten
Bij de keuze van een biostimulant is het goed om te letten op alle ingrediënten van het etiket en de hoeveelheden die vermeld worden. En als je meerdere biostimulanten wilt combineren, dan is het aan te raden om aanvullende producten te kiezen die geen overlap vertonen in de werkzame stoffen. Test de producten bij voorkeur op een beperkt assortiment van rassen die stressgevoelig zijn en vergelijk deze met een onbehandelde controle. Door vervolgens naar de plant- en wortelontwikkeling en nutriëntenopname te kijken, kun je meestal een afgewogen keuze maken of het product een toegevoegde waarde heeft voor de teelt.
Tekst: Jantineke Hofland-Zijlstra, Weerbare Plant














