De markt voor biostimulanten was tot nu toe niet gereguleerd. Maar daar komt binnen twee jaar verandering in. Dat moet een einde maken aan de onduidelijkheid en de ‘kwakzalverij’ op dit gebied: telers krijgen meer inzicht in de mogelijkheden en risico’s van een product. Dit zal de inzet van deze producten waarschijnlijk een impuls geven.

Wat zijn biostimulanten, een veelgehoorde term in de tuinbouw, nu precies? Alwin Scholten van leverancier PlantoSys omschrijft het als ‘producten die de plant helpen om abiotische stress te voorkomen en te verminderen’. “Dan gaat het onder andere om droogte, temperatuurwisselingen, mineralentekorten”, licht hij toe. “Daarnaast helpen ze planten om water en voedingsstoffen beter op te nemen. Er zijn producten op basis van zeewier- of kruidenextracten, aminozuren en siliciummeststoffen. De variatie is enorm.”

Passend binnen IPM-systeem

Jorrit Koeman, themaspecialist Plantgezondheid bij Glastuinbouw Nederland, vergelijkt biostimulanten met probiotica – denk aan drankjes als Yakult, Vifit en Activia – voor de mens. “Hierin zitten bacteriën die je weerstand versterken. Datzelfde geldt voor een aantal biostimulanten: deze producten hebben een positieve invloed op de weerstand en de groei van planten. Op deze manier zorgen ze ervoor dat het gewas beter bestand is tegen abiotische stress en sterker wordt. Ziekten en plagen hebben hierdoor ook minder kans.”
Biostimulanten worden al veel ingezet in de tuinbouw. Om diverse redenen. “Ze passen bijvoorbeeld heel goed binnen een IPM-systeem, waar het creëren van een weerbaar gewas een cruciale rol speelt”, zegt Koeman. “Bijkomend voordeel is dat dergelijke middelen geen negatief effect hebben op biologische bestrijders en geen MRL’s (maximale residu limiet, red.) achterlaten op groenten en fruit. En producten van natuurlijke oorsprong hebben veelal een beperkte ecologische voetafdruk.”

Onvolledige informatie

Maar er zijn ook nadelen. Zo is het aanbod enorm – volgens schattingen zijn er wellicht wel duizend verschillende producten op de markt – en is het voor telers lastig om het kaf van het koren te scheiden. Dat komt onder meer omdat wetgeving tot nu toe ontbreekt. Fabrikanten mogen zelf bepalen wat ze op het etiket zetten, welke informatie ze delen.
“Deze informatie is vaak niet volledig, ook is dikwijls niet duidelijk of deze juist is”, zegt Koeman. Hierdoor is het vaak maar de vraag welke inhoudsstoffen een biostimulant bevat, hoe de precieze werking is en wat eventuele risico’s zijn bij gebruik.
“Ook is vaak niet helder hoe en in welke hoeveelheden je een middel moet toepassen. Dit brengt risico’s op gewasschade met zich mee, ook is een optimale werking niet gegarandeerd.”

Kofferbakverkopers

Biostimulanten kampen daarnaast met imagoproblemen. Vanwege het gebrek aan wet- en regelgeving, en omdat tal van aanbieders actief zijn in deze markt. Koeman: “Er zijn absoluut een heleboel serieuze partijen die zich hiermee bezighouden, maar ook partijen die het niet zo nauw nemen. Deze zorgen ervoor dat er een zweem van kwakzalverij omheen hangt.”
Scholten bevestigt dit: hij merkt dat veel telers behoefte hebben aan harde data en onderbouwing. “Als PlantoSys laten wij onafhankelijke proeven uitvoeren, om het effect van onze biostimulanten aan te tonen. Telers zijn daar blij mee. Ze zijn klaar met ‘kofferbakverkopers’ met vage verhalen, waarbij geen enkele duidelijkheid bestaat over het effect van producten.”
Bijkomend probleem is volgens Scholten dat fabrikanten vaak claimen dat hun producten een werking hebben tegen ziekten en plagen. “Hierdoor komen ze in het vaarwater van gewasbeschermingsmiddelen, terwijl ze deze claim – vanwege het ontbreken van regelgeving – niet hoeven te onderbouwen.”

Wetgeving op komst

Om de genoemde redenen werd de roep om wetgeving voor biostimulanten de afgelopen jaren steeds luider. Het Europees Parlement bepaalde vorig jaar mei dat deze producten onderdeel gaan uitmaken van de Europese meststoffenverordening. Dit betekent dat straks een toelating moet worden aangevraagd, net zoals dat nu het geval is bij gewasbeschermingsmiddelen.
“Aan welke eisen een middel moet voldoen om een toelating te krijgen, is op dit moment nog niet duidelijk”, zegt Koeman. “Ondertussen is de definitie van biostimulanten vastgesteld en volgt een implementatietraject op nationaal niveau. In juli 2022 wordt de nieuwe verordening EU2019/1009 volledig van kracht. Dan zal dus ook duidelijk zijn hoe de Nederlandse regelgeving er precies uitziet.”
Hoogstwaarschijnlijk moeten fabrikanten straks behoorlijk wat informatie en onderzoeksgegevens kunnen overleggen, om een toelating te verkrijgen. Scholten hoopt dat er in ieder geval zo snel mogelijk duidelijkheid komt. “Wij zijn momenteel al bezig met het aanleggen van dossiers voor onze producten, door het verzamelen van data en onderzoeksgegevens en het aanpassen van etiketteksten.”

Minder toelatingen

Volgens genoemde informanten leidt invoering van de nieuwe regels waarschijnlijk tot een flinke uitdunning van het aanbod. Het verkrijgen van een toelating vergt namelijk forse investeringen van producenten. “Je moet al snel denken aan een bedrag van drie tot drieënhalve ton”, zegt Scholten. “Die investering kan niet iedereen dragen. Hierdoor gaan wellicht goede producten verloren.”
Koeman onderschrijft dit. “Biostimulanten in de vorm van micro-organismen kunnen vaak meerdere effecten hebben, waaronder biotische. Wanneer de overheid deze als gewasbeschermingsmiddelen kwalificeert, heeft de wetgeving juist een averechts effect. Dan verdwijnen er namelijk effectieve systemen voor gezonde teelten.”
Mark van der Werf, Consultant plant health bij Koppert Biological Systems, ziet ook het gevaar dat er in de toekomst minder biostimulanten beschikbaar zullen zijn voor kleine teelten. “Indien er een toelating komt per gewas, zal het voor kleine gewassen niet altijd rendabel zijn om een toelating aan te vragen.”

Meer duidelijkheid

Het positieve nieuws voor telers is dat er binnen afzienbare tijd meer duidelijkheid komt, over de inhoudsstoffen, de werking en de risico’s. Koeman: “Ondernemers kunnen straks beter inschatten wat de meerwaarde van een product is, en wat eventuele risico’s zijn. Hoogstwaarschijnlijk gaat de prijs wel omhoog, vanwege de hoge kosten die een toelating met zich meebrengt.”
Desondanks blijft het volgens Michel Jongenelen van DCM Nederland een feit dat niet iedere biostimulant in elke teelt effectief is. “Mijn advies aan telers is daarom om zoveel mogelijk samen op te trekken, ervaringen met verschillende biostimulanten te delen en samen middelen te testen. Op die manier kunnen ze met elkaar komen tot een effectieve strategie om problemen te tackelen.”

Onderdeel ‘gereedschapskist’

Genoemde informanten zijn ervan overtuigd dat in de toekomst steeds meer biostimulanten worden ingezet binnen de glastuinbouw. Het palet aan gewasbeschermingsmiddelen krimpt immers steeds verder in. Koeman: “Biostimulanten kunnen dit ‘gat’ opvullen. Zeker als de nieuwe wetgeving straks meer duidelijkheid schept over de werking en risico’s van producten.”
Van der Werf benadrukt dat de producten weliswaar positief zijn voor de plantweerbaarheid, maar niet in hun eentje het verschil kunnen maken. “Biostimulanten zijn slechts één onderdeel uit de totale gereedschapskist; ook zaken als substraat, bemesting en klimaat zijn cruciaal voor het verbeteren van de plantweerbaarheid. Dit alles moet in balans zijn.” Hij onderstreept dat de inzet van alleen een biostimulant een plant wel door een moeilijke periode heen kan helpen. “Bijvoorbeeld wanneer je aan het begin van de teelt de wortelgroei wilt stimuleren. Maar om echt de plantweerbaarheid te vergroten, moet je dus breder kijken.”

Nieuwe tool om effect biostimulanten te meten

In hoeverre biostimulanten bijdragen aan de plantweerbaarheid is op dit moment lastig te bepalen. Een speciale tool om de plantweerbaarheid te meten, moet hier in de toekomst verandering in brengen. De Stichting Control in Food & Flowers en Groen Agro Control werken sinds eind 2018 aan de ontwikkeling hiervan. Dit gebeurt in opdracht van de Stichting Programmafonds Glastuinbouw in samenwerking met Glastuinbouw Nederland en de gewascoöperaties Gerbera en Chrysant.

 

Praktijkproeven

“Planten verdedigen zich op diverse manieren tegen belagers”, zegt André van der Wurff van Groen Agro Control. “Onder meer de hoeveelheid en verhouding van een aantal planthormonen, die een belangrijke rol spelen in de plantverdediging, is hierbij cruciaal. Daar proberen we inzicht in te krijgen, om te komen tot een meetset voor plantweerbaarheid en daarmee voor het effect van biostimulanten.”
Na laboratoriumproeven startten de onderzoekers vorig jaar met praktijkproeven in gerbera. Ondanks flinke stappen voorwaarts, blijkt de materie complexer dan aanvankelijk gedacht. “We komen veel dingen tegen die we niet goed begrijpen. Zo worden bepaalde hormonen tijdelijk opgeslagen als de plant in de stand-by-modus gaat. Maar dan verandert de verbinding van het hormoon, en is dit dus ook lastiger te meten en te traceren. Ofwel: een hormoon vormt niet altijd dezelfde verbinding, wat het extra complex maakt.”
Op welke termijn de plantweerbaarheidstool beschikbaar komt voor de praktijk, durft Van der Wurff niet te zeggen. “We zijn ervan overtuigd dat het werkt, en hebben forse vooruitgang geboekt, maar we zijn er nog niet.”

Tekst: Ank van Lier, beeld: Wilma Slegers