Teler Guido van Duijn experimenteert met Biological Pest Control (BPC) in groene planten op het familiebedrijf in Maasland. Hoewel de methode nog niet zonder risico’s is, is de teler erg enthousiast over de techniek. “De resultaten in tripsbestrijding zijn super, maar we hebben ook een incident met bladschade gehad. De zoektocht is om de juiste parameters te vinden.”

Kwekerij Duijn-Hove is gespecialiseerd in groene planten en phalaenopsis. Als lid van de BCO Phalaenopsis kwam Guido van Duijn (op foto rechts) in aanraking met BPC. Dit is een niet-chemisch alternatief voor de bestrijding van plaaginsecten. Door het zuurstofgehalte in een afgesloten ruimte sterk te verlagen en te vervangen door stikstofgas (N2), verstikken plaaginsecten, terwijl planten dit tijdelijk wel verdragen.
“Hoewel dit onderwerp in de BCO Phalaenopsis werd besproken, vond ik de noodzaak ervan in groene planten urgenter. We hebben de ervaringen uit het onderzoek in phalaenopsis meegenomen en op kleinschalig niveau in onze kas getest tegen Californische trips in groene planten.”

Out-of-the-box denken

Van Duijn is ervan overtuigd dat BPC een goede methode is in de strijd tegen plaaginsecten. Op de kwekerij is al veel geëxperimenteerd met biologische vijanden tegen trips, maar die aanpak was nooit sluitend, alleen onderdrukkend, zegt hij. “Dan moet je out-of-the-box gaan denken. We weten dat de methode werkt, maar we moeten nu meer werkervaring met de methodiek opdoen. We hebben een incident met bladschade gehad, dan is het niet rendabel. De zoektocht is nu om de juiste parameters te vinden. Ook de praktische uitvoerbaarheid is een punt van aandacht.”

Onder folie

De teler voert de methode uit onder folie in de kas, maar is op zoek naar een beter systeem. “We gaan nu systematisch door de afdelingen heen, maar we zien de trips steeds weer terugkomen; ze vliegen in vanuit andere velden. Je kunt de populatie volledig reduceren, maar dan moeten we ook nieuwe invlieg tegengaan. Je ziet nu dat na één of twee weken de eerste tripsen alweer op de vangplaten zitten. De uitdaging is om de rondgang consequent uit te voeren.”
“Verder moeten we uitzoeken hoelang een behandeling moet duren. Wil je de methode op grotere schaal toepassen, dan moet je de cyclus zo snel mogelijk zien rond te breien, zonder schade. Voor de phalaenopsisteelt zoeken we naar andere praktische toepassingen. Een gedachtenspinsel is om een aparte ruimte in te richten, een soort hotel met veel kamers, om de planten in te zetten. Ik geloof in de toepassing, maar we moeten nog wel op zoek naar wat in de praktijk kan werken.”

Vervolgonderzoek

Stichting Control in Food & Flowers (SCFF) deed afgelopen drie jaar onderzoek in diverse gewassen naar deze methode, onder andere in potorchidee. De methodiek werd in een proefkas onderzocht op de bestrijding van potworm en vandatrips in phalaenopsis. Potworm kon volledig worden verstikt, vandatrips voor 99%. In de proef is stek, halfwas en phalaenopsis met bloei getest.
De komende drie jaar gaat deze stichting een vervolgonderzoek doen binnen een PPS-project om de methode te optimaliseren. Ook worden er praktijktesten bij telers uitgevoerd om te kijken of BPC effectief en haalbaar is in de praktijk.

Resultaten veelbelovend

Volgens Van Duijn zijn de resultaten uit het eerste onderzoek in phalaenopsis veelbelovend. Collega’s zijn nu aan zet om met deze methode aan de slag te gaan, zegt hij. “We zijn vanuit de BCO op zoek naar enthousiaste telers die hierin willen meedenken.”
Ook bij Van Duijn zelf leven er vragen. “Ik wil graag weten of de behandelduur korter kan met dezelfde resultaten en in hoeverre de temperatuur daarop van invloed is. Uit de laatste testen is gebleken dat een 100 procent bestrijding van trips met hoge duur mogelijk is zonder nadelige effecten. Voor ons is het van belang dat bladschade wordt uitgesloten. Ik verwacht dat dat uiteindelijk wel gaat lukken.”
Creatieve ideeën voor de praktische toepassing van de BPC-techniek zijn welkom. Telers met ideeën kunnen die doorgeven aan onderzoeker Anne-Jan Doorn van SCFF of Astrid van der Helm van Glastuinbouw Nederland. Het project wordt gefinancierd door Kennis in je Kas (KijK), met een bijdrage van onder andere de gewascoöperatie Potorchidee.

Tekst: Annemarie Gerbrandy