Bestrijding van luis is in de komkommerteelt uiterst belangrijk, met het oog op verspreiding van het CABY-virus door de katoenluis. Bij komkommerteler Voorhof in IJsselmuiden is het afgelopen jaar geen enkele luis gesignaleerd. Mark Meuleman, manager biologie, vertelt hoe ze de luisbestrijding aanpakken. “We gaan voor nultolerantie”.
Op een zonnige winterse dag in een van de kassen van Kwekerij Voorhof is het al knijpen met de ogen, vanwege het vele licht dat binnenvalt. Het jonge gewas in de hogedraadteelt, half januari geplant, maakt al flink lengte en toont de eerste bloeiers. In de andere kas wordt vanaf half februari geoogst.
De traditionele teelt is eind december geplant. In die kas van 4,1 ha doen ze drie teelten per seizoen. “Hier in deze kas van 3,7 hectare, telen we twee hogedraadteelten’’, vertelt Mark Meuleman (27). Beide kassen zijn onbelicht. Hij is van origine een tuinderszoon uit de Koekoekspolder en werkte als scholier al bij Kwekerij Voorhof. Na zijn studie rolde hij wederom het bedrijf in. “Ik studeerde wat anders maar mijn hart gaat uit naar de tuin. Ik ben hier verantwoordelijk voor biologische gewasbescherming en meewerkend voorman”, vertelt hij.
Het bedrijf is eigendom van handelsbedrijf Best Fresh Group en de dagelijkse leiding is in handen van René Kalter. Het bedrijf bestaat uit twee kassen die intern met elkaar verbonden zijn, met één centrale bedrijfsruimte.
“Met vijf verschillende teelten per jaar heb je van februari tot begin november altijd ergens productie. Daarnaast zitten we ook vaak in een teeltwisseling. Dit plannen we zo dat de werkdruk gespreid wordt.” Het wisselen van alle teelten neemt in totaal acht weken in beslag, daarna volgt nog het leegruimen van de kassen aan het einde van het seizoen.
‘Luisbiologie’
Na afloop van de laatste teelten volgt een grote schoonmaak van de kassen, tussen de teelten door gebeurt dat niet. Om het gewas te vrijwaren van plagen en virussen hanteert Kwekerij Voorhof een strakke aanpak die bestaat uit consequente inzet van biologische bestrijders en intensief scouten. Ook als er geen vuiltje aan de lucht lijkt te zijn.
“Elke plaag vraagt zijn eigen aanpak. Voor trips, wittevlieg en spint start de inzet al snel na de teeltstart. Met de luisbiologie beginnen we in week 14, omdat de luis van buiten komt en zich pas ontwikkelt in de lente. Bij een schone start zijn ze niet eerder te verwachten.” De specifieke luizenbestrijders zijn de sluipwesp ‘Aphidius colemani’ en de galmug ‘Aphidoletes aphidimyza’.
Zorgvuldig houdt de komkommerteler gedurende de hele teelt een ‘standing army’ overeind. “Wij zorgen elke week voor een vers leger aan luisbiologie. Ze overleven een week, daarna gaan ze dood. Bijvoeren doen we niet. Ze zijn er alleen voor het geval dat het nodig is”, legt de teeltmanager uit.
Voorbeeldbedrijf
Het afgelopen jaar leverde de werkwijze alleen werkloze bestrijders op, want er is geen enkele luis gesignaleerd. “We gaan voor nultolerantie en laten het niet aankomen op een balanssituatie tussen natuurlijke vijand en prooi”, zegt Meuleman. Een jaar eerder zijn er wel luizen gezien op enkele plekken in de kas, maar die werden direct bejaagd door de bestrijders. “Chemisch ingrijpen of voor de nieuwe teelt starten met een bespuiting is al twee jaar niet nodig geweest.”
Adviseur Mart van Buren, namens Van Iperen aangeschoven, noemt dat bijzonder. “Jullie zijn echt een voorbeeldbedrijf van hoe er wordt omgegaan met biologische gewasbescherming en preventie. Het is uniek dat je een heel jaar geen luizen hebt gezien.” Die goede luisbeheersing is gebaseerd op drie pijlers, stelt hij. “Dat begint met insectengaas voor de luchtramen, de frequente inzet van biologie en het veelvuldige scouten van opkomende plagen. Bankerplanten ophangen kan daar in de toekomst nog bijkomen. Jullie hebben je scouting heel goed op orde.”
Insectengaas heeft het bedrijf nog niet, eind dit jaar wordt het in beide kassen geïnstalleerd. “Uiteindelijk moeten alle Nederlandse glastelers aan het gaas geloven, want de correctiemiddelen gaan eruit”, voorspelt Van Buren. “Bij Van Iperen hebben we een grote vergelijkingsproef gedaan tussen een afgegaasde en niet-afgegaasde tuin. We zagen daarbij een groot verschil in plaagdruk. Het gaas houdt grotere insecten als luizen, motten en wantsen goed tegen.”
Aanpak scouten
Meuleman is binnen het bedrijf verantwoordelijk voor het scouten op ziekten en plagen, maar staat er niet alleen voor. “Wekelijks maak ik mijn ronde door de kassen. Dan loop ik steekproefsgewijs diverse rijen door en controleer de vangplaten op de aanwezigheid van luizen en andere insecten.” Daarnaast is een rol weggelegd voor de gewasmedewerkers.
“Zij gaan het gewas in de hogedraadteelt wekelijks langs en controleren ook of er beestjes zijn. Onze vaste groep uitzendkrachten heeft hier ervaring in opgebouwd. Het is een voordeel dat mensen hier jaarlijks graag terugkomen, wij proberen hen een fijne werkomgeving te bieden.”
De meewerkend voorman: “In de hogedraadteelt staan de planten vrij ver uit elkaar en groeien snel de hoogte in. Dat maakt het voor ongevleugelde natuurlijke vijanden moeilijker om zich door het gewas te verspreiden. In de lagedraadteelt, waar de planten meer door elkaar groeien, gaat dat makkelijker.” Dit betekent dat het risico op plagen in de lagedraad ook lager is, geeft hij aan. “Hier scout ik evenveel, maar de medewerkers in deze kas dragen er minder aan bij. Dat is hier ook geen probleem.” Daarnaast noemt hij ook de rol van een ervaren teeltmedewerker die het uitzetten van de roofmijten als vaste taak heeft. “Hij ziet ook veel tijdens zijn rondes.”
Te korte teeltwisseling
Om medewerkers te ondersteunen bij het scouten en herkennen van insecten in verschillende stadia hangen er informatieposters in de kantine. Van Buren geeft aan dat hij teeltbedrijven ook ondersteuning biedt. “Ik kom graag langs voor een presentatie aan het personeel over de voorkomende plagen en het herkennen hiervan. Gewasmedewerkers zijn immers de ogen en oren in de kas.”
Van Buren is afgestudeerd als bioloog en kijkt ook door die ogen naar ziekten en plagen. “Hoe werkt de natuur? Plaaginsecten moeten iets te eten hebben om te overleven. Met dat inzicht is volgens mij nog veel winst te behalen in de sector. De periode van de teeltwisseling wordt op veel bedrijven steeds korter. Zo houden we veel problemen in stand”, stelt hij.
“Kassen worden te vluchtig gereinigd. Als je hier wat meer tijd voor neemt dan ligt de kas een tijdje braak en zitten insecten zonder eten. Daar valt nog winst te boeken.” Meuleman haakt in: “Wij houden de kas ook iets langer leeg, omdat we geen belichting hebben heeft vroeger planten geen zin. We starten daarmee na de kortste dag. Wel stoken we al wanneer we nog leeg zijn. Bepaalde plaaginsecten worden dan gewekt, terwijl er geen eten voor ze is, zodat ze gelijk doodgaan.”
Tekst en beeld: Koen van Wijk














