Leendert van Tuijl experimenteert al jarenlang met sensoren in zijn chrysantenteelt. Het blijkt echter niet eenvoudig om de verzamelde data te vertalen naar concrete teeltbeslissingen. Hoge kosten voor toegang tot data en het ontbreken van goede koppelingen tussen verschillende systemen vormen belangrijke obstakels. Daarom ontwikkelt hij samen met zijn broer een eigen besturingssysteem waarin uiteindelijk ook sensordata samenkomen.

Leendert van Tuijl stuurt zijn teelt het liefst zo objectief mogelijk aan. “Teeltbeslissingen nemen op basis van gevoel, daar kan ik slecht tegen”, zegt hij. Samen met David, Rochus en Barteld van Tuijl runt hij Linflowers. Dit bedrijf omvat 22 ha chrysanten, verdeeld over vier locaties in de Bommelerwaard.

Ontsluiting als struikelblok

In de loop der jaren experimenteerde Van Tuijl met verschillende sensoren, waaronder bodemvochtsensoren, PAR-sensoren en sensoren die de plantdiameter meten. De praktijk bleek echter weerbarstig. “De kwaliteit van sensoren is niet altijd optimaal. Ze zijn bijvoorbeeld niet robuust genoeg. Maar vooral de ontsluiting van de data is een struikelblok.”
Veel sensorleveranciers werken volgens Van Tuijl met een eigen dashboard. “Toegang krijgen tot de data kan bovendien duizenden euro’s per jaar kosten. Ook het combineren van gegevens is lastig. Om verbanden te kunnen leggen, moet je al die dashboards langsgaan en de gegevens ook nog combineren met de informatie van de klimaatcomputer. Dat is niet te doen. Hierdoor kun je sensordata eigenlijk nauwelijks gebruiken voor het nemen van teeltbeslissingen en het optimaliseren van je teelt. En daar was het natuurlijk wel om begonnen”, zegt de teler, die zijn frustraties onlangs ook deelde via een bericht op LinkedIn.

Meerdere teeltfasen

Voor chrysant is het probleem volgens Van Tuijl extra groot. In één kas worden namelijk meerdere teeltfasen gecombineerd, waardoor per afdeling verschillende setpoints gelden die bovendien in de tijd veranderen. “Hierdoor heb je bij chrysant veel meer sensoren nodig om een goed inzicht te krijgen. Het genereren van een totaalbeeld wordt daardoor nog ingewikkelder. Kortom: het is moeilijk om als chrysantenteler echt winst te behalen uit de inzet van sensoren.”

Eigen besturingssysteem

Van Tuijl besloot daarom zelf aan de slag te gaan. Samen met zijn broer, die software-engineer is, ontwikkelt hij een eigen besturingssysteem. Daarin worden onder meer het planningssysteem, de setpoints voor de verschillende teeltfasen en de instellingen en data van de klimaatcomputer geïntegreerd. “Het Chrysalink-systeem, dat ook beschikbaar is voor andere telers, is nog in ontwikkeling. Maar de basis staat”, vertelt Van Tuijl. “De volgende stap is het toevoegen van sensordata. We zijn daarvoor in gesprek met meerdere leveranciers. Het gaat onder meer om bodemvocht-, PAR- en planttemperatuursensoren.”
De ambitie is om uiteindelijk te komen tot één systeem waarin de verschillende databronnen samenkomen. “Het is de bedoeling dat je als teler alleen een melding krijgt wanneer sensordata op een bepaalde plek afwijken en actie nodig is. Daarnaast willen we veel instellingen automatisch genereren op basis van de verzamelde data. Zo willen we verdere stappen zetten richting autonoom telen. Het systeem is in eerste instantie bedoeld voor de chrysantenteelt, maar het streven is om dit op termijn ook geschikt te maken voor inzet in andere sierteeltgewassen.”

Samenwerking noodzakelijk

Van Tuijl vindt dat ook sensorleveranciers een rol hebben in de ontwikkeling van de glastuinbouw richting een autonome teelt. Volgens hem moeten data eenvoudiger en tegen lagere kosten beschikbaar komen voor telers. “Daarnaast moeten verschillende sensoren en systemen beter met elkaar kunnen communiceren: het is belangrijk dat de ene sensor kan ‘praten’ met de andere. Sensorleveranciers moeten daarin hun verantwoordelijkheid nemen en de glastuinbouwsector helpen om verdere stappen te zetten richting autonoom telen. Leveranciers moeten niet op hun eilandjes blijven zitten, maar veel meer samenwerking zoeken. Dat is noodzakelijk om de sector vooruit te helpen.”

Tekst: Ank van Lier