Toen chrysantenteler Peter van de Werken het huidige LED-belichtingssysteem kocht was er nog niet eens een stuurprogramma voor dynamisch belichten. Daarom schreef hij het maar zelf, overigens met veel plezier. Inmiddels heeft zijn bedrijf River Flowers twee jaar ervaring en het blijft een leerproces. Behalve de behoefte van het gewas is ook de actuele stroomprijs leidend voor de inzet van de LED’s.

Dynamisch belichten betekent in het ideale geval dat je de sterkte en de kleur van het licht kunt aanpassen aan de behoeften van het gewas, gematcht met het natuurlijke licht. En daarbij rekening houdt met de stroomprijs. Met de eerste generatie LED’s was dat niet zo goed mogelijk. Het was aan of uit. En de kleur was wat je gekocht had. Daar zat je aan vast. Maar de techniek is voortgeschreden. Dat geeft nieuwe mogelijkheden en nieuwe vragen over wat verstandig is om te doen.
Voor chrysantenbedrijf River Flowers in Zaltbommel begon najaar 2022 het post-SON-T-tijdperk. “De lampen waren aan het eind van hun levensduur en we wilden duurzaam investeren. Dan kom je uit bij LED’s. We begonnen met de helft van het bedrijf”, vertelt Rick van de Werken.
Samen met zijn oom Peter leidt hij het bedrijf van 7 ha. Ze telen troschrysanten van de rassen Chic, Haydar, Fabiënne en Tendenza. Van de afzet verloopt 80% via de veilingklok. Op een andere locatie wordt een deel van de bloemen geverfd met kleurstoffen die ook voor levensmiddelen zijn toegelaten. Een exclusief product met een vrolijke uitstraling.

Stuurprogramma zelf geschreven

Rick: “De overgang van SON-T naar LED’s betekent al een heel andere manier van telen. Bovendien kozen we voor lampen van MechaTronix met twee kanalen: groeilicht en verrood. Toen was nog niet zo bekend wat je met verrood kunt, maar we wilden wel de mogelijkheden hebben.”
Een jaar later volgde de rest van het bedrijf. Deze keer kozen ze voor drie kanalen: groeilicht, verrood en groen. Het groeilicht bestaat uit 88% rood, 6% blauw en 6% groen. In de kas laat Rick zien dat alle lampen apart en draadloos aangestuurd kunnen worden. Dat geldt zowel voor de lichtsterkte als de kleur. Dat geeft enorm veel combinatiemogelijkheden. De teler gebruikt al verschillende kleurencombinaties binnen de gebruikelijke schema’s voor kortedag, langedag en nachtonderbreking die elke chrysantenteler hanteert. “En we leren nog steeds bij”, zegt hij met een glimlach.
Het sturingsprogramma, dat Peter dus zelf geschreven heeft, reageert elk kwartier op de buitenstraling en past de lichtsterkte aan. “Onder de 75 watt buitenstraling is er bovendien te weinig natuurlijk verrood en gaat het verroodkanaal aan. Als je dat niet doet, krijg je te veel spruitgroei onderin het gewas. Ook de hoeveelheid natuurlijk groen is dan te weinig. Dus in de kas waar we die mogelijkheid hebben, gaat het groen dan ook vol aan. Het dringt dieper in het gewas door dan de andere kleuren. Als resultaat zien we dat de bladeren onderin sterker zijn”, vertelt Peter.

Lengte van de stelen

Met het wel of niet inzetten van verrood is ook de lengtegroei te sturen. Peter: “Dat gaat met een ‘end of day’ behandeling. Dat was nieuw voor ons. Inmiddels hebben we zoveel ervaring dat we de lengte gericht kunnen sturen. Daardoor hoeven we minder remmiddelen in te zetten. Overigens zou je de lengteremming nog meer onder controle hebben als je het blauwe licht apart aan zou kunnen zetten.”
Dat elke lamp apart te sturen is, maakt het mogelijk donkere hoekjes, bijvoorbeeld naast de schuur, extra te belichten. Op plekken waar medewerkers aan het werk zijn, geven de lampen speciaal werklicht, bestaande uit 10% groeilicht en 100% groen (dat er samen met het groeilicht wit uitziet). Dat is veel beter voor de ogen dan het groeilicht dat een felroze schijn geeft. “Ideaal zou zijn dat het werklicht automatisch ‘meeloopt’ met de mensen als ze een telefoon of tag bij zich dragen”, denkt hij.

Stroomprijs erg bepalend

Deze wisselingen zijn allemaal ingegeven door het gewas of de werkomstandigheden. Maar nog belangrijker is de prijs van de elektriciteit. Ze kunnen met de WKK zelf 3 MW opwekken en hebben een inkoopcapaciteit van 2 MW. Peter: “We proberen de kosten van de micromolen zo laag mogelijk te houden. Als de stroomprijs laag is, produceren we zelf minder en kopen we meer in. We kunnen een deel opslaan in een e-ketel.”
Meerdere tuinbouwbedrijven werken op deze manier en dat ontlast het stroomnet. Dat stuit immers steeds vaker op de limieten van zijn capaciteit. Zodra er heel veel groene stroom komt uit windmolens en zonnepanelen, zonder grote consumptie, zijn de tuinbouwbedrijven een welkome buffer.
“Maar het belastingstelsel zit dit systeem ernstig in de weg”, legt Van de Werken uit. “Bedrijven met windmolens en zonnepanelen schakelen af zodra ze tegen negatieve prijzen moeten gaan leveren. Ze willen immers geen verlies draaien. Maar wij en andere telers gaan pas inkopen als stroomprijs nog verder onder nul zakt. Door de energiebelasting blijft inkoop namelijk geruime tijd te duur voor ons. Pas bij een marktprijs van min zeventig euro, zonder belastingen, wordt het aantrekkelijk. Als die belasting er niet was, zouden we een veel grotere rol kunnen spelen bij de vergroening van het elektriciteitsnet.”

Lichtintegratie

Met de stroomprijs mee bewegen, betekent tevens dat ze het gewas niet altijd de hoeveelheid licht geven die het aan zou kunnen. “Maar je kunt best veel wisselen in lichtsterkte zonder dat het invloed heeft op de kwaliteit. Een wolk voor de zon heeft vaak nog meer impact dan onze strategie”, vertelt Rick.
Ze passen een systeem van lichtintegratie over drie dagen toe. In die periode moet de belichting gemiddeld op 130 µmol/m².s uitkomen. De installatie heeft een capaciteit van 200 µmol/m².s. Op goedkope momenten wordt er volle bak belicht, op dure minimaal. “Overigens hebben we inmiddels geleerd dat jonge stekken bij 200 µmol/m².s bladverbranding krijgen. Dus daarom moet je je in het begin een beetje inhouden”, vult Peter aan.
De ondernemers denken dat met lichtintensiteit en kleuren nog veel meer te sturen valt. Gelukkig is de uitwisseling van kennis hierover met collega’s goed. Ze zoeken steeds manieren om duurzamer te telen. Momenteel worden luchtdrogers geïnstalleerd. Voor de toekomst kijken ze naar alle mogelijkheden van groene energie: warmte uit rioolwater (riothermie), zonnepanelen, windmolens, waterstof als brandstof, elektrolysers en betere energieopslag. En het ideaalbeeld? “Een tuinbouwbedrijf met een negatieve CO₂-footprint.”

Tekst: Tijs Kierkels, beeld: Wilma Slegers

 

  • Rick (links) en Peter van de Werken: “We passen een systeem van lichtintegratie over drie dagen toe. Op goedkope momenten belichten we volle bak, tijdens dure uren belichten we minimaal.”