Nerintetelers Paul en Ronald Wubben zetten sterk in op weerbaar telen. Dit doen zij onder meer door na de teelt een groenbemestermengsel in te zaaien. Hierdoor hoeven de ondernemers minder intensief te stomen en besparen ze op hun gasverbruik. Daarnaast verbetert de bodemkwaliteit en -weerbaarheid én is sprake van een zwaarder, robuuster en weerbaarder gewas. Dit kan hen in de toekomst helpen om de inzet van chemie te reduceren.

Paul en Ronald Wubben uit Nootdorp horen tot de selecte groep ondernemers die jaarrond nerine telen. Zij telen deze exclusieve snijbloem op een oppervlak van 1,5 ha, deels onder LED-belichting. Daarnaast omvat het bedrijf nog 0,5 ha amaryllis. “De teelt van nerine vindt plaats in de grond”, vertelt Paul Wubben, die het bedrijf runt met zijn neef. “Doordat we in fasen planten, ligt altijd een deel van de kas leeg. Gemiddeld is een afdeling twee maanden vrij tussen twee teelten.”

Focus op weerbaarheid

Tot voor kort werd de bodem grondig gestoomd na afloop van een teelt. Dit met als doel virussen en schimmels − en met name de fusariumschimmel − af te doden en zo steriel mogelijk te kunnen starten met de nieuwe teelt. Dit vergde echter flink wat energie. “Dat was verre van ideaal, aangezien wij nog zijn aangewezen op aardgas”, vertelt Ronald.
“Daarnaast investeren we al enkele jaren gericht in een weerbaardere teelt en gewas. Vanwege de verschraling van het middelenpakket, maar ook omdat we onze teelt naar een hoger plan willen tillen. We voegen bijvoorbeeld schelpengruis toe aan de bodem. Dit verbetert de calcium-magnesium-verhouding, wat zorgt voor een meer luchtige en betere doorlaatbare bodem.”
Vanuit deze achtergrond besloten de ondernemers vorig jaar ook te gaan experimenteren met de inzet van een mengsel van groenbemesters als alternatief voor intensief stomen. Van der Knaap Ecoconsultancy kwam met deze suggestie. “We hadden er eerlijk gezegd nooit over nagedacht dat we het ook anders zouden kunnen doen. We stomen al decennialang, als een soort van gewoonte. Maar Theo van der Knaap gaf aan dat groenbemesters een goed en duurzaam alternatief konden vormen en zouden kunnen bijdragen aan een betere en weerbaardere bodem met meer bodemleven.”

Weelderig gewas met trips

De ondernemers zaaiden vorig jaar twee groenbemestermengsels in op een oppervlak van 2.000 m². “De mengsels bevatten samen twaalf verschillende groenbemesters, waaronder klaver, vlas, sorghum, Japanse haver en diverse vlinderbloemigen”, legt Paul uit. “In de akkerbouw werkt men al jarenlang met deze groenbemesters, maar voor de glastuinbouw is deze aanpak redelijk nieuw. De nerineteelt leent zich ook goed voor deze manier van werken, aangezien de afdelingen langere tijd leeg liggen tussen de teelten.”
De inzet van de groenbemesters was aanvankelijk wennen. “Normaal waren de lege afdelingen altijd mooi schoon, nu stond er ineens een weelderig gewas van anderhalve meter hoog. En daarin dook ook nog eens trips op, die overwaaide naar het amaryllisgewas. Dat was verre van ideaal.”

Betere bodem- en gewaskwaliteit

Toch besloten de ondernemers om de aanpak dit jaar uit te rollen over hun volledige bedrijf en na iedere nerineteelt mengsels van groenbemesters in te zaaien. Ze zagen, en zien, namelijk positieve effecten op de bodem- én de gewaskwaliteit. “Het gewas groeit duidelijk beter wanneer er een groenbemester heeft gestaan. Het is robuuster, zwaarder en de bloemen zijn van betere kwaliteit.
Ook merken we dat het gewas weerbaarder is. Dit kan ons in de toekomst hopelijk helpen om de inzet van chemie te reduceren. En de bollen die we aan het einde van de teelt rooien, zijn mooi sterk en vormen perfect uitgangsmateriaal voor de volgende teelt.”, zegt Paul.
De positieve gewaseffecten komen volgens de ondernemers door de groenbemesters die de bodemkwaliteit en -weerbaarheid ten goede komen. “Veel puzzelstukjes dragen hieraan bij. Zo wortelen de groenbemesters diep, wat de doorlaatbaarheid van de bodem en daarmee de waterafvoer verbetert. Tegelijkertijd is ook sprake van een beter watervasthoudend vermogen. Dat klinkt tegenstrijdig, maar de algehele waterhuishouding van de bodem is gewoon beter.”

Meer organische stof

De wortels van de groenbemesters scheiden exudaten af, die ervoor zorgen dat meer voedingsstoffen beter beschikbaar komen voor het gewas. Ook stimuleren de groenbemesters het bodemleven. Zo zijn bijvoorbeeld meer mycorrhizaschimmels aanwezig, die ervoor zorgen dat de wortels meer water en voedingsstoffen kunnen opnemen.
Paul vervolgt: “De bladmassa die we onderwerken na de groenbemesterteelt, zorgt voor meer organische stof in de bodem en daarmee voor extra koolstof. Dit is een cruciale bouwsteen in de gewasgroei. En waarschijnlijk wordt de toegevoegde waarde ieder jaar groter, aangezien het organische stofgehalte zich steeds verder opbouwt.”
De teler geeft wel aan dat de genoemde zaken nog moeilijk hard te maken zijn. “We gaan nu vooral af op wat we zelf zien en ervaren. Binnenkort laten we wel een uitgebreide weerbaarheidsanalyse uitvoeren, die onder meer inzicht geeft in de hoeveelheid mycorrhizaschimmels en het organische stofgehalte in de bodem. We hopen en gaan ervan uit dat deze analyse onze waarnemingen zal bevestigen.”

Aandachtspunten

De inzet van de groenbemesters kent ook aandachtspunten. Zo zaaien de telers de groenbemesters alleen in van medio februari tot eind oktober. “In de wintermaanden is er te weinig licht en groeien de gewassen onvoldoende”, legt Ronald uit. “En om problemen met ziekten en plagen te voorkomen, zetten we natuurlijke vijanden tegen trips en luis uit in de groenbemesters. Dat werkt goed. Ook hebben we geleerd dat we de groenbemesters in de laatste vier weken beter niet meer kunnen beregenen. Dan wortelen ze namelijk dieper, wat extra luchtigheid in de bodem brengt. Van der Knaap Consultancy en Rowan Timmer van DSV Zaden hebben ons geholpen bij het optimaliseren van de groenbemesterteelt.”
Een nadeel is volgens de telers wel dat het inzaaien van een groenbemester meer arbeid vergt. “Het zaaien en onderwerken doen we zelf”, zegt Paul. “Dit is niet heel veel werk, maar wel meer dan wanneer je niets zou doen. De kosten voor het zaad vallen mee: voor 300 tot 350 euro per hectare per jaar zijn we klaar.”

Duurzaamheidswinst

Samenvattend levert de aanpak dus flink wat winst op voor de bodem- en gewaskwaliteit. Daarnaast helpt het de ondernemers om hun bedrijfsvoering verder te verduurzamen. Ronald: “We stomen nog wel na een teelt, maar slechts heel licht. Voorheen zetten we hierbij 2,5 kuub gas per vierkante meter in, nu is dat minder dan één kuub. We stomen alleen nog om onkruidopslag uit te roeien. Het wieden van onkruid kost anders te veel arbeid.”
Paul en Ronald raden collega’s aan om ook aan de slag te gaan met groenbemesters, mits hun teelt zich daarvoor leent. “De kas moet minimaal vijf weken leeg zijn tussen twee teelten; anders kunnen de groenbemesters zich onvoldoende ontwikkelen. En wanneer je er, bijvoorbeeld bij chrysant, een teelt voor moet overslaan, kan het economisch niet uit. Maar als je de mogelijkheid hebt, is de inzet van groenbemesters als tussengewas een relatief eenvoudige stap om je teelt naar een hoger plan te tillen.”

Tekst en beeld: Ank van Lier