De laatste jaren duiken steeds vaker nieuwe tripssoorten op. Deze leiden tot grote problemen, vaak ook in gewassen die voorheen weinig te stellen hadden met trips. In een speciaal project zoeken onderzoekers naar een modelaanpak voor bestrijding van deze invasieve soorten in sierteeltgewassen. Inmiddels zijn de eerste stappen gezet, maar leven er nog altijd veel vragen.

Trips staat al jarenlang in de ‘top-10’ van plagen binnen de glastuinbouw. In de jaren tachtig deed de eerste exotische soort, de Californische trips, zijn intrede. Inmiddels heeft een breed scala aan varianten zich genesteld in onze kassen. “Internationale handel, het verslepen van plantmateriaal, vormt de belangrijkste reden hiervoor”, zegt Gerben Messelink, onderzoeker en hoogleraar bij Wageningen University & Research.
Het aantal nieuwe tripssoorten nam vooral de laatste jaren een vlucht. Zo deed de Japanse bloementrips (Thrips setosus) zijn intrede, maar ook de pepertrips (Thrips parvispinus). Beide varianten zijn afkomstig uit Zuidoost-Azië. “Daarnaast hebben de vandatrips, Dichromothrips corbetti, en de anthuriumtrips, Chaetanaphothrips orchidii, hun opwachting gemaakt”, vertelt collega onderzoeker Sophie Le Hesran. Waardoor het aantal invasieve soorten de afgelopen jaren zo fors toenam, weten we eigenlijk niet. Mogelijk speelt het verminderde gebruik van breedwerkende insecticiden een rol. Maar feit is wel dat deze voor flinke problemen zorgen, ook in gewassen die tot nu toe redelijk verschoond bleven van trips. Zo duiken deze nieuwe soorten bijvoorbeeld op in anthurium, hortensia, lelie en diverse potplantenteelten.”

Biologisch systeem om zeep

Dat de invasieve tripssoorten tot problemen leiden in sierteeltgewassen komt onder meer doordat telers niet weten welke natuurlijke vijanden ze het beste kunnen inzetten tegen deze nieuwe varianten. Dat is te wijten aan het feit dat het ontbreekt aan basiskennis over deze soorten. Hoe gedraagt en ontwikkelt deze trips zich, wat is de verpoppingslocatie, et cetera. Pas als je deze informatie op zak hebt, kun je gefundeerde beslissingen nemen wat betreft preventieve biologische bestrijding. Door het ontbreken van deze kennis vallen veel telers terug op chemische middelen. Met als gevolg dat ze het opgebouwde biologisch systeem voor andere plagen om zeep helpen. En vervolgens ook hiertegen chemisch moeten ingrijpen.”

Basiskennis vergaren

De geschetste situatie vormde aanleiding voor het opzetten van een onderzoek rondom invasieve tripsplagen in de sierteelt. Messelink nam het concrete initiatief tot het project. “Enerzijds willen we in dit project basiskennis vergaren over de nieuwste invasieve soorten. We focussen hierbij op de Japanse bloementrips, de pepertrips, de vandatrips en de anthuriumtrips. Dit moet veel waardevolle informatie opleveren over de eigenschappen en de ontwikkeling van deze tripssoorten en handvatten bieden voor een effectieve bestrijding. Natuurlijke vijanden moet je bijvoorbeeld wel op het juiste moment en op de juiste plek uitzetten. Zo verpoppen sommige tripsen in de bodem, anderen op bladeren. Dit soort zaken moet je weten om de plaag effectief te lijf te kunnen gaan.”

Beslisboom

Tegelijkertijd moet het project meer inzicht bieden in de mogelijkheden van de inzet van diverse natuurlijke vijanden tegen de genoemde soorten. Ofwel: welke natuurlijke vijanden bieden de meeste potentie in de strijd tegen een bepaalde tripssoort? “Dat is natuurlijk gewasafhankelijk: niet alle biologische bestrijders doen het goed in alle gewassen”, zegt Messelink.
“Al deze informatie samen moet uiteindelijk leiden tot een modelaanpak voor deze invasieve soorten. Door de eigenschappen van de diverse tripssoorten op een rij te krijgen en inzicht te krijgen in de biologische bestrijdingsmogelijkheden per gewas, hopen we op termijn te komen tot een soort beslisboom. Op basis hiervan moeten telers gefundeerd beslissingen kunnen nemen, om deze invasieve soorten gestructureerd, preventief, biologisch en vooral effectief te lijf te gaan. Dat is cruciaal voor het creëren van een weerbaar teeltsysteem.”

Interessante resultaten

Inmiddels zijn diverse laboratorium- en kasproeven uitgevoerd. Hierbij werd onder meer de effectiviteit van meerdere soorten natuurlijke vijanden − roofmijten, nematoden, schimmels, et cetera − getest op de Japanse bloementrips, de pepertrips en de vandatrips. Dit leverde diverse interessante resultaten op. Zo bleek de roofmijt Transeius montdorensis effectief tegen Japanse bloementrips in lelie. “Later dit jaar gaan we daarom nog een proef doen met zowel blad- als bodempredatoren tegen Japanse bloementrips in lelie”, zegt Le Hesran. “Transeius montdorensis is namelijk een bladpredator, terwijl we vermoeden dat deze tripssoort zich verpopt in de bodem. Dan zou een combi van blad- en bodempredatoren nog meer effect kunnen sorteren.”

Effectieve bodemroofmijt

Een proef met de inzet van natuurlijke vijanden tegen pepertrips in anthurium leverde minder eenduidige resultaten op. Dit kwam vooral doordat de tripspopulatie in de controlebehandeling − waar dus geen biologische bestrijders werden uitgezet − niet op orde was. “Nader onderzoek wees uit dat in het gewas van nature al veel bodemroofmijten aanwezig waren, wat mogelijk effect had op de ontwikkeling van de trips”, zegt Messelink. “Dit is echter ook interessant, omdat we hiermee wellicht een effectieve bodemroofmijt tegen pepertrips te pakken hebben. Dit vraagt dus om vervolgonderzoek. Daarom zijn we nu bezig met een tweede kasproef, waarbij we de effecten van een ‘zustersoort’ van de gevonden bodemroofmijt beproeven.”
Daarnaast loopt op dit moment een proef waarbij vier verschillende bladpredatoren worden ingezet tegen vandatrips in orchidee. “We kiezen hierbij bewust voor bladpredatoren, aangezien de inzet van bodempredatoren lastiger is bij de teelt in bark. We zien wel al verschillen tussen de ingezette predatoren, maar het is nog te vroeg om concrete resultaten te delen.”

Verpoppingsgedrag

Afgelopen jaar werd er onderzoek gedaan naar de ontwikkelingssnelheid en het gedrag van de diverse tripsen. Dit liet opvallende verschillen zien. “We onderzochten de ontwikkelingstijd, van ei tot adult, bij drie verschillende temperaturen”, zegt Le Hesran. “Pepertrips bleek zich het snelst te ontwikkelen; bij een temperatuur van 25 graden bouwde een populatie zich binnen veertien dagen op. Japanse bloementrips en vandatrips ontwikkelen iets langzamer en anthuriumtrips zelfs uitermate langzaam. Bij een temperatuur van 25 graden duurde het tot twee maanden voordat een populatie was opgebouwd. Dat is verraderlijk: telers denken dan wellicht dat de trips weg is, terwijl er nog steeds poppen aanwezig zijn. Inzicht in de ontwikkelingssnelheid is belangrijk om te weten wanneer een hausse aan adulten te verwachten is en dus tijdig biologische bestrijders te kunnen inzetten.”
Ook werd de verpopping van pepertrips in anthurium onder de loep genomen. Hierbij bleek dat deze plaag volledig in de grond verpopt. De luchtvochtigheid kan hierbij echter van invloed zijn, geeft Messelink aan. “Daar willen we in vervolgproeven meer inzicht in krijgen. Op dit moment zijn we daarnaast bezig met een proef rondom het verpoppingsgedrag van Japanse bloementrips in lelie. Verder loopt er een soortgelijke proef met vandatrips in orchidee. Daarvan zijn echter nog geen concrete resultaten bekend.”

Eerste basis gelegd

Met de informatie die tot nu toe werd vergaard, is volgens de onderzoekers een eerste basis gelegd. “We hebben al behoorlijk wat waardevolle informatie verzameld over invasieve tripssoorten en de potentie van diverse soorten natuurlijke vijanden. Tegelijkertijd zijn er nog veel vragen”, benadrukt Messelink. “In feite levert iedere proef antwoorden, maar ook weer nieuwe vragen op. In samenspraak met de telers die betrokken zijn bij dit project bepalen we de vervolgstappen. Dit moet uiteindelijk inzichten geven in welke bestrijdingsmethoden in welke situatie het meest effectief zijn. En hoe je behandelingen zo efficiënt mogelijk kunt combineren. De focus ligt hierbij op biologische bestrijding, maar soms zal inzet van chemische middelen onontkoombaar zijn.”

Structureel programma

De onderzoeker hoopt dat de beoogde totaalaanpak kan helpen om eventuele nieuwe tripsvarianten in de toekomst beter te tackelen. “Hopelijk zijn we straks beter voorbereid op nieuwe invasieve tripsen die we in de nabije toekomst kunnen verwachten. En kunnen we komen tot een soort basisaanpak om trips te lijf te gaan. Bijvoorbeeld doordat we inzicht hebben in welke natuurlijke vijanden heel breed werken. Maar de problemen met trips zijn inmiddels dusdanig groot en er is nog zoveel te ontdekken dat een structureel onderzoeksprogramma eigenlijk een must is. Alleen zo kunnen we trips uiteindelijk écht onder de duim krijgen en voorkomen we dat we achter de feiten aanlopen, zoals nu dikwijls het geval is.”
Het project rondom de bestrijding van invasieve tripssoorten in de sierteelt is een publiek-private samenwerking binnen de topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. De financiering van het project, dat loopt tot en met 2023, is afkomstig van LNV, Kennis in je Kas (KijK), de gewascoöperaties Potorchidee en Lelie en telers en veredelaars van pot- en snijanthurium.

Tekst: Ank van Lier, beeld: Fotostudio G.J. Vlekke