‘Kieskeurige dames’ zou een mooie titel zijn voor het onderzoeksproject naar bestrijding van rouwmuggen. Onderzoekers Marjolein Kruidhof en Ruben Vijverberg hebben in korte tijd al veel informatie boven tafel gekregen over de voorkeuren van rouwmugvrouwtjes, van wie het kroost graag aan jonge wortels knabbelt. In een zelfgebouwde gedragsopstelling kunnen de muggen in hun zoektocht naar een geschikte eilegplek kiezen welke substraatgeuren ze meer of juist minder aantrekkelijk vinden.
Rouwmuggen (Sciaridae) kom je in bijna alle gewassen onder glas wel tegen. Logisch, want de larven voeden zich voornamelijk met de schimmels die in het teeltsubstraat groeien. Helaas hebben ze wel een brede smaak. Naast schimmels eten de larven ook graag van de wortels van planten. Dit leidt vooral in jonge planten tot schade. Eenmaal volwassen eten de muggen niet meer, maar kunnen ze wel sporen van ziekteverwekkers verspreiden. De levenscyclus van rouwmuggen is afhankelijk van de temperatuur. Bij 20°C duurt de ontwikkeling van ei tot adult drie weken en bij 30°C maar twee weken. Bij 10°C ligt de ontwikkeling van de larven vrijwel stil.
De vraatschade aan de wortels vormt een invalspoort voor schimmels. Die schimmels zijn weer aantrekkelijk voor rouwmuggen en zo ontstaat een vicieuze cirkel. Voor een goede bestrijding is een systeemaanpak nodig. Het onderzoek naar zo’n aanpak wordt geleid door Marjolein Kruidhof van Wageningen University & Research.
Systeemaanpak
Onderzoek en praktijkervaring hebben de afgelopen jaren uitgewezen dat biologische bestrijding, onder andere met insectparasitaire aaltjes (Steinernema feltiae) en bodemroofmijten, goede kansen biedt om plagen van rouwmug te beheersen. Toch zijn er teeltomstandigheden die de biologische bestrijding lastig maken. Een aanvullende bestrijdingsmethode is daarom zeer gewenst.
In 2015 is het PPS project ‘Nieuwe methoden voor bestrijding van bodemplagen in de glastuinbouw en zomerbloemen’ van start gegaan. In dit project, dat mede wordt gefinancierd door Stichting TKI Tuinbouw (Ministerie EZ) en Productschap Tuinbouw, werkt Wageningen University & Research aan een systeemaanpak voor rouwmuggen, in samenwerking met de gewascoöperatie Eenjarige zomerbloeiers, Horticoop, Florensis, Syngenta en LTO Glaskracht Nederland.
Kruidhof heeft voor dit project al een literatuurstudie gedaan naar rouwmuggen en oevervliegen, naar hun leefwijze en huidige bestrijdingsmethoden. Haar belangrijkste speerpunt is nu het ontwikkelen van een zogenaamde ‘push-pull’ strategie voor rouwmuggen. “Met de ‘push’ methode willen we het teeltsubstraat minder aantrekkelijk maken voor eileg en ontwikkeling van muggen. En met ‘pull’ bedoelen we het weglokken van de muggen met aantrekkelijke loksubstraten of -geuren”, legt ze uit. Naar verwachting is deze aanpak breed toepasbaar voor allerlei gewassen.
Aantrekkelijke stoffen
Kruidhof en haar collega Ruben Vijverberg zijn eerst gestart met het zoeken naar geuren die de rouwmuggen heel aantrekkelijk vinden, of juist helemaal niet. Dat is nog niet zo’n eenvoudige klus, want hoe doe je dat nu precies? De onderzoekster bedacht een gedragsopstelling die sterk doet denken aan een ruimtestation; een ronde plastic doos met meerdere uitgangen, met daaraan weer kleine bakjes verbonden.
In een serie gedragstesten kregen rouwmugvrouwtjes steeds drie keuzes voorgelegd: een referentiesubstraat en een testsubstraat dat op twee verschillende luchtgehaltes was gebracht (30% of 45% van de poriën met lucht gevuld) door respectievelijk meer of minder vocht toe te voegen. Het referentiemengsel bestond uit steeds hetzelfde standaard veenmengsel. Voor het testsubstraat werd deze een-op-een gemengd met één van de grondstoffen: kokos, boomschors, houtvezels, sphagnum, champost, groencompost, GFT-compost, wortels, zemelen, stalmest en NPK mestkorrels. In het ‘basisstation’ van de gedragsopstelling werden steeds dertig tot vijftig muggen losgelaten, die twee dagen de tijd kregen om – in het donker – naar hun favoriete omgeving te vliegen in één van de drie zijvleugels.
Zemelen favoriet
Rouwmuggen lijken een sterke voorkeur te hebben voor plekjes waar schimmel groeit. Mengsels met een hoog gehalte aan afbreekbaar organisch materiaal, zoals groencompost, GFT compost, wortels en zemelen bleken namelijk veel aantrekkelijker dan het standaard veensubstraat.
Zemelen waren ronduit favoriet. Een mengsel met deze grondstof trok maar liefst vier keer zoveel muggen aan dan het standaard veenmengsel. Boomschors, houtvezels, sphagnum, stalmest, NPK mestkorrels en champost lieten ze links liggen. De rouwmuggen vonden het kokossubstraat minder aantrekkelijk dan het veenmengsel.
Kruidhof: “We denken dat er een samenhang is tussen microbiële activiteit en aantrekkelijkheid van het substraat. Schimmels en bacteriën produceren CO2.” In die mening is zij bevestigd, omdat de rouwmuggen ook een sterke voorkeur vertoonden voor een mengsel waar aan CO2-alginaat capsules met sporen van de Metarhizum schimmel waren toegevoegd. (Alginaat capsules bevatten een substantie waaruit CO2 vrijkomt.) Of dat nu kwam door de CO2 of de schimmel zelf moet nog verder worden onderzocht.
Vocht- en luchtgehaltes
Het idee achter het testen van de vocht- en luchtgehaltes is dat er in deze substraten andere microbiële processen kunnen plaatsvinden, waardoor andere geuren ontstaan. Opvallend genoeg vonden de muggen de testsubstraten met een laag luchtgehalte (en dus een hoger vochtgehalte) minder aantrekkelijk dan dezelfde testsubstraten met een gemiddeld luchtgehalte.
De uitkomsten van de gedragstesten vormen een goede basis voor de ontwikkeling van een loksubstraat. Uit aanvullende tests blijkt dat een mengsel van veensubstraat met zemelen bij een temperatuur van 20°C na één week aantrekkelijk wordt en dat deze aantrekkende werking tenminste zes weken aanhoudt.
Loksubstraat
Als je zo’n aantrekkelijk mengsel op bepaalde plekken in de kas kunt neerzetten dan zullen volwassen muggen daarheen gaan om hun eieren te leggen, zo is het idee. Om te testen of dit principe inderdaad werkt, is een kooiproef gedaan met jonge violenplanten en rouwmuggen. Als er tussen de viooltjes een bakje met loksubstraat werd gezet, bleek dat de druk van rouwmuggen in de viooltjes voor de helft kon worden teruggebracht.
Dat is een mooi resultaat, maar er is meer onderzoek nodig. Het is bijvoorbeeld nog niet bekend over welke afstand een dergelijk substraat de muggen van het gewas kan weglokken. Ook moet nog worden getest hoe het op het juiste vocht- en luchtgehalte kan blijven en welke methode het beste werkt om de rouwmuggen in het loksubstraat te doden. Wellicht is het simpelweg het beste om het substraat te wisselen voordat zich hierin een nieuwe generatie rouwmuggen heeft ontwikkeld. Dit zal, afhankelijk van de temperatuur in de kas, om de twee of drie weken zijn.
Onaantrekkelijk teeltmedium
Er zit dus muziek in de ‘pull’-methode. Rouwmuggen blijken gevoelig voor lokgeuren en dit kan op termijn slimme muggenvallen opleveren. Maar tegelijkertijd moeten de rouwmuggen eigenlijk niet meer geïnteresseerd zijn in het substraat waarin jonge wortels groeien. Met de ‘push’-methode moeten ze daardoor vrijwillig wegblijven.
Het vervolg op dit onderzoek is om onaantrekkelijke of ongeschikte schimmelsoorten toe te voegen aan het teeltmedium. Die schimmels mogen dan geen negatieve invloed hebben op plantengroei. Bovendien leidt een spoor naar bepaalde bestanddelen die het substraat zelf minder aantrekkelijk maken, zoals bijvoorbeeld de kokos die uit de eerste proeven naar voren kwam. Tenslotte is het ook nog mogelijk om de substraten geuren mee te geven die de rouwmuggen onaantrekkelijk of zelfs vies vinden. Dit project is dus zeker nog niet afgerond.
Tekst en beeld: Pieternel van Velden













