Er is iets geks aan de hand in de Nederlandse plantaardige sector. Terwijl boeren en tuinders zich uit de naad werken om weerbare teeltsystemen te bouwen, biodiversiteit te versterken en emissies terug te dringen, lijkt het alsof de regels sneller veranderen dan de praktijk kan bijbenen.

De transitie naar minder synthetische gewasbeschermingsmiddelen is ingezet – en daar staat vrijwel niemand principieel negatief tegenover – maar de snelheid waarmee het gebeurt, begint nu zijn tol te eisen.

Lege gereedschapskist

Want laten we eerlijk zijn: ziekten en plagen verdwijnen niet omdat we het graag willen. Weerbare rassen, gezonde bodems, natuurlijke vijanden; het helpt allemaal, maar het is geen wondermiddel. Soms lost het ene probleem het andere op, soms creëert het juist nieuwe. Wie schurftresistente rassen teelt, krijgt regenvlekkenziekte cadeau. En wie in de aardappelteelt Phytophthora de baas is, ziet Alternaria opduiken. De natuur laat zich niet in een beleidsdocument vangen.
Ondertussen raakt de gereedschapskist van de teler leger. Synthetische middelen verdwijnen in hoog tempo, innovaties komen nauwelijks door de toelatingsprocedures heen, en middelen van natuurlijke oorsprong worden mondjesmaat toegelaten. De puzzelstukjes die groene middelen vormen, passen nog niet in het gat dat synthetische middelen achterlaten.

Het Europese speelveld

En dan is er nog het Europese speelveld. Of beter gezegd: het gebrek daaraan. Waar Frankrijk, Duitsland, België en Oostenrijk tientallen vrijstellingen (tijdelijke toelating voor 120 dagen) per jaar afgeven om knelpunten op gewasbeschermingsgebied op te lossen, vaak gebundeld en pragmatisch, heeft Nederland in 2026 tot mei slechts drie (!) vrijstellingen verleend. En dat terwijl de kosten voor de sector hier kunnen oplopen tot € 30.000 per vrijstelling, tegenover nul euro in België en Frankrijk. En een vrijstelling aanvragen betekent niet dat deze ook wordt gehonoreerd. Een reguliere uitbreiding aanvragen voor kleine teelten (KUG) kost in Nederland al snel richting de € 40.000. In België: € 5.000. Het verschil is niet incidenteel, maar structureel.

Hindernisbaan zonder finish

Het gevolg laat zich raden: Nederlandse telers moeten concurreren met buitenlandse collega’s die simpelweg meer middelen, meer flexibiliteit en lagere kosten hebben. Terwijl Nederland in het algemeen strengere etiketten hanteert, langere procedures kent en minder actieve stoffen beschikbaar heeft, lossen andere landen knelpunten op met ruimhartige vrijstellingen. Het level playing field is geen veld meer, maar een trap. En Nederland staat onderaan.
De sector werkt keihard aan verduurzaming. Maar zonder een werkbare gereedschapskist, zonder snellere en betaalbare procedures, zonder vergelijkbare toegang tot middelen, wordt de transitie een hindernisbaan zonder finish. De urgentie is hoog. Niet omdat telers niet willen veranderen, maar omdat ze het simpelweg niet meer rond krijgen.

Tekst: Jolanda Wijsmuller, Biopesticide Consult