Een proef met cymbidium in het kader van het project ‘HNT: Gas erop!’ wordt uitgevoerd door studenten van Hogeschool Inholland samen met een teeltadviseur en telers. Er wordt gezocht naar manieren om tot een sterker en langer oogstbaar gewas te komen. Anderzijds leren de studenten om onderzoek uit te voeren, met feedback van de begeleidingscommissie.

“Kijk, hier zie je een A-viertje afgetekend op de pot”, wijst Robin van Dijk naar een transparante pot. “Elke twee weken maken we van dit vakje een foto om de wortelontwikkeling te beoordelen”, vertelt de student Tuinbouw en Agribusiness aan Hogeschool Inholland. Samen met Jerin van der Lans en nog drie studenten werkt hij mee aan de cymbidiumproef die is opgesteld door Vertify in Honselersdijk (voorheen Demokwekerij Westland). De twee tuinderszonen uit Pijnacker streven naar een loopbaan als teler of teeltmanager en leren in dit project hoe je een onderzoek moet opzetten en uitvoeren.
De proef is onderdeel van het programma ‘HNT: Gas erop!’ van Kas als Energiebron, met cofinanciering door de gewascommissie Cymbidium van Glastuinbouw Nederland. Voor de uitvoerende studenten maakt de proef deel uit van hun vak Toegepast teeltonderzoek tijdens het tweede jaar van hun studierichting teelt en veredeling. Zij hebben de luxe dat bij dit project ook een begeleidingscommissie is betrokken met een aantal telers en een teeltvoorlichter.

Vroeger krijten

In twee identieke onderzoeksafdelingen staan drie rijen met telkens 28 volwassen planten opgesteld. Op 18 februari zijn de planten – rassen Royal Perfect en Yellow River Tara – op de teeltgoten geplaatst. In één afdeling wordt de gangbare teeltwijze aangehouden, in de andere worden de grenzen opgezocht van HNT. Dat betekent in dit geval dat er een maand eerder dan gebruikelijk gekrijt is met een diffuse coating (Redufuse IR). Deze zorgt voor een betere lichtverdeling in de kas en voorkomt een te felle instraling en kans op bladverbranding.
“Het voordeel hiervan is dat we dan minder hoeven te schermen bij hoge instraling, waardoor een gelijkmatiger kasklimaat ontstaat. Zo hoeven we minder te luchten waardoor we beter CO2 en vocht vasthouden”, licht Jeroen Sanders van Vertify toe. Namens de proeftuin begeleidt hij de proef op locatie.
Docent Frank van der Helm begeleidt de studenten vanuit de hogeschool. “Het probleem met schermen is dat de temperatuur te hoog op kan lopen en dat kan cymbidium in deze teeltfase slecht hebben. Dit gewas kan slecht tegen sterke lichtschommelingen in het voorjaar; met de diffuse coating halen we daar de scherpe randjes vanaf”, legt hij uit.

Langzaam groeiend

Cymbidium is een erg langzaam groeiend gewas, waarvan de meeste telers in de winter in een kort tijdsbestek bloemen oogsten. Na de oogst gaat het gewas in winterrust bij een lage kastemperatuur. Een probleem is dat de wortels van het gewas dan niet vitaal meer zijn en het gewas een klap krijgt tijdens de overgang naar het voorjaar met veel en soms fel licht.
Van der Helm: “De plant is daar dan nog niet klaar voor, ook omdat de wortels nog onvoldoende ontwikkeld zijn. Daarom is er in de proef ook veel aandacht voor het wortelstelsel.” Sanders vult aan: “Verder leeft er bij telers de behoefte om veel langer te oogsten dan een week of drie, vier. Ook een steviger en langer houdbare bloem is een wens.”

Minder frequent watergeven

De begeleiders kwamen samen met de studenten tot een proefopzet, die de studenten zoveel mogelijk zelf hebben uitgewerkt. Naast de vergelijking van de huidige teeltwijze met HNT vergelijken de studenten een verwarmingsstrategie met een enkele buis en dubbele buis dichter bij de pot en toepassing van (elektrische) matverwarming. De veronderstelling is hierbij dat matverwarming de wortelkwaliteit ten goede komt en dat de scheuten harder gaan groeien.
Het derde onderdeel is de irrigatiestrategie. Van Dijk: “We passen twee verschillende watergeefstrategieën toe om te testen hoe het gewas sterker wordt. De veronderstelling is dat bij langere intervallen het water dieper in de pot doordringt, waarbij er meer zuurstof via het water in de poriën terecht komt. Dat is goed voor het wortelmilieu.”
Bij de irrigatiefrequentie ‘veel’ krijgen de planten één keer per dag veel water, de frequentie ‘weinig’ – in de huidige praktijk de meest gangbare – staat voor vijf tot zes kleine beurten. “Het is een kwestie van de wortels trainen om zelf te gaan zoeken naar water. Langere intervallen zijn een trend in de praktijk, daarom heeft de gewascommissie gevraagd dat mee te nemen”, vertelt Sanders.

Meten scheutlengte

Voor de studenten staat in deze proef centraal dat zij goed leren om onderzoek te doen. Na het vaststellen van de onderzoeksdoelen, het uitwerken van een plan van aanpak en een proefopzet compleet met herhalingen begonnen de metingen in het gewas. Ze leerden de meetresultaten te waarderen en te verwerken tot grafieken en tabellen. “Elke twee weken brengt één van ons verslag uit aan de begeleidingscommissie, dat hoort er ook bij”, aldus Van Dijk.
Om de ontwikkeling van het gewas te beoordelen kozen de studenten voor het meten van de scheutlengte en het wortelniveau. De scheutlengte is eenvoudig in centimeters te meten. In elk vak zijn daarvoor per zeven planten tien jonge scheuten met stokjes gemarkeerd.

Wortels fotograferen

De ontwikkeling van het wortelmilieu beoordelen was een grotere uitdaging. Van der Helm: “De studenten kwamen op het idee om een aantal planten om te zetten in een transparante pot zodat je de wortels elke week kunt fotograferen. De teeltadviseur reikte vervolgens het idee aan om voor de foto een vakje af te tekenen. Heel creatief opgelost dus.”
Ze kunnen zodoende de foto’s vergelijken, maar het is nog steeds moeilijk om het wortelniveau te waarderen. “Het beoordelen van de kwaliteit verlangt ook inzicht en groene vingers van de studenten. Het is niet zo objectief meetbaar als bij de lengte van een scheut of het aantal vruchten per meter. Dus je moet leren welk cijfer je aan welk beeld kunt geven”, verklaart Sanders.

Proef doortrekken

Op het moment van het interview zijn er nog weinig ‘significante’ verschillen te zien. Sanders: “Maar er moeten wel verschillen uitkomen, dat kan niet anders. Aan het begin hebben we het drogestofgehalte gemeten als nulmeting. Waarschijnlijk biedt een nieuwe meting aan het eind van de proefperiode uitkomst.”
De huidige proef loopt door tot en met juni, terwijl een aantal studenten heeft toegezegd voor het project ook in de zomervakantie door te gaan met het onderzoek. Bij alle betrokkenen leeft echter de wens om de proef door te trekken tot en met de bloeiperiode, want dan kun je pas echt zien wat het heeft opgeleverd. “We zitten dan in het derde leerjaar, dan staat ook onderzoek naar gewasbescherming op het programma. Dat valt goed te combineren met deze proef”, blikt Van der Helm vooruit.

Tekst en beeld: Koen van Wijk