In april ging er bij Wageningen University & Research een opmerkelijke proef van start, gericht op biologische bestrijding van wolluis in potrozen. In deze proef worden de bestrijdingsresultaten vergeleken van sluipwespen die wel of geen specifiek virus bevatten. Jesica Pérez Rodríguez van de Universiteit van Valencia in Spanje is een expert op dit gebied. Zij spreekt van positieve eerste resultaten.

Wolluis is een notoir lastig te bestrijden plaag in tal van gewassen. Er is dan ook grote behoefte aan nieuwe, bij voorkeur biologische bestrijdingsmethoden die meer effect sorteren. De Spaanse entomologe Jesica Pérez Rodriguez is een autoriteit op het snijvlak van biologische plaagbeheersing en de mogelijke invloed op het resultaat door virussen die natuurlijke vijanden van nature met zich mee kunnen dragen.
“In eerder onderzoek is al aangetoond dat de effectiviteit van natuurlijke vijanden van plaaginsecten kan verbeteren wanneer ze geladen zijn met specifieke virussen”, vertelt zij. “Wageningen Universiteit en Research heeft mij gevraagd mee te werken aan een praktijkgerichte proef om de mogelijkheden voor toepassing in de glastuinbouw te verkennen.”

Virus beïnvloedt gedrag

De proef in kwestie wordt gefinancierd en gecoördineerd vanuit het innovatieprogramma Het Nieuwe Doen in Plantgezondheid van Kennis in je Kas (KijK) en is mede mogelijk gemaakt door de Universiteit van Valencia, waaraan Pérez verbonden is. In het najaar van 2025 begon zij aan een eerste verkenning, waarin bevestigd werd dat de bestrijding van wolluizen door de sluipwesp Anagyrus vladimiri is te beïnvloeden met behulp van virussen.
“In de vrije natuur dragen sluipwespen soms virussen met zich mee waar zij in principe geen last van hebben, maar die wel van invloed kunnen zijn op hun parasiteringsgedrag en de impact daarvan op plaagpopulaties”, vervolgt de Spaanse entomologe. “Eén van die virussen komt algemeen voor en hebben nemen we meegenomen in de praktijkgerichte proef die in april in Bleiswijk van start ging.”

Kooiproeven

Om de mogelijke effecten van het virus op het gedrag van de sluipwespen en de bestrijdingsresultaten te meten, zijn potrozen in gaaskooien geplaatst en vervolgens besmet met citruswolluis. Nadat de luis zich gevestigd had, zijn de sluipvliegen geïntroduceerd. In sommige kooien zijn sluipwespen zonder virus uitgezet, in andere sluipwespen met het virus.

Snellere aanvangswerking

Pérez: ”Enkele weken na het introduceren van de sluipwespen zagen we dat de wolluispopulatie, die geparasiteerd werd door sluipwespen met het virus, half zo groot was als de populatie in kooien waar de sluipwespen geen virus bij zich droegen. Na elf weken werd er met beide behandelingen een vergelijkbare parasitering vastgesteld. Uit de waarnemingen blijkt dus dat sluipwespen met het virus een snellere aanvangswerking realiseren.”
“Dat is mooi, want hoe sneller een plaagpopulatie kleiner wordt, des te minder schade het gewas ondervindt”, vervolgt de onderzoekster. “Zo neemt ook de noodzaak af om op andere wijze in te grijpen of kun je zo’n maatregel uitstellen.”

Veelbelovende start

Pérez benadrukt dat je de proefresultaten niet klakkeloos kunt vertalen naar de praktijk. “Daar zijn meer variabelen in het spel. Dit project is nu afgerond, Het zou mooi zijn als er een vervolg komt waarin we op kunnen schalen naar een echte praktijkproef. Dan kunnen we meer inzicht verwerven in de consistentie van de resultaten en in de mogelijke invloed van variabele teeltomstandigheden. We willen ook graag weten hoe die snellere aanvangswerking tot stand komt. Er zijn dus nog vragen te beantwoorden, voordat er sprake kan zijn van voorspelbare resultaten, laat staan van commerciële toepassingen waar telers mee uit de voeten kunnen. Desalniettemin zijn de eerste resultaten hoopgevend.”

Tekst: Jan van Staalduinen