“Een toekomstbestendige chrysantenteelt kan niet zonder groene oplossingen”, stelt Ruud van Wijk. De troschrysantenteler uit Maasdijk is sinds augustus 2025 deelnemer aan het project 100% Groen Geteeld. “We zijn op ons bedrijf al drie jaar bezig om groener te gaan telen, maar wel met behoud van de kwaliteit van het product. Daar willen we geen concessies aan doen.”

Ruud van Wijk (26) teelt troschrysanten in een 2,4 ha grote kas in Maasdijk, het bedrijf van zijn ouders. Daarnaast heeft hij samen met zijn broer een chrysantenkwekerij van 3,2 ha in De Lier. De teler is in Maasdijk al enkele jaren bezig om met zo weinig mogelijk chemie chrysanten te telen en meer met biologie te werken. Zo liet hij drie jaar geleden in deze kas insectengaas installeren, om de invlieg van plagen als luis, trips, wants, mineervlieg en motten zoveel mogelijk te beperken.

Insectengaas

Bij de eerste twee teelten met insectengaas lukte het Van Wijk om zonder chemisch ingrijpen chrysanten te telen, van stek tot bloem. Daarna kreeg hij te maken met verschillende soorten bladluis, waarvoor hij geen natuurlijke vijanden had. Bij gebrek aan een pasklaar advies voor biologische bladluisbestrijding, tipte zijn gewasbeschermingsspecialist hem over het project 100% Groen Geteeld. Dat sprak de teler gelijk aan. “We zijn in ons bedrijf al goed op weg, maar het kan nog beter. In dit project worden we door kennispartners geholpen om daadwerkelijk naar een 100 procent groene teelt te gaan.”
Vanuit het driejarige project, is een projectgroep met zes chrysantentelers opgericht. Er wordt in twee focusgroepen zowel ín als boven de grond naar groene oplossingen gekeken, aldus Van Wijk. Hij werkt in de pilot samen met Van Iperen en Bioline Agrosciences om nieuwe natuurlijke vijanden tegen bladluis te testen. “Luis is het grootste probleem, een plaag kan zich razendsnel uitbreiden. Het idee is om voor elke nieuwe soort een biologische bestrijder te vinden die een plaag kan aanpakken.”

Brandnetelgier

Van Wijk vertelt tijdens een rondje door de kas dat hij die ochtend het gewas met brandnetelgier heeft behandeld. In de tuinbouw wordt dit gebruikt als natuurlijke, snel opneembare, stikstofbron en als plantversterker. Het is geen vervanging voor volledige bemesting, maar een aanvullende biostimulant die vooral in biologische teelten populair is. Een extra voordeel is dat het bovendien een natuurlijke afweer biedt tegen luizen, zegt hij.
“De troschrysantenteelt duurt tien weken, we beginnen met groene middelen om de druk zo laag mogelijk te houden”, legt hij uit. “Luis gaat niet dood van brandnetelgier, maar de plant wordt minder aantrekkelijk voor het insect. Daardoor verloopt de verspreiding van luis aanzienlijk trager en krijgen natuurlijke bestrijders meer ruimte om de plaag effectief aan te pakken. Vanaf week 1 zetten we al volop biologische bestrijders in om alle plagen direct goed te ondervangen. De focus ligt hierbij op luis en trips.”

Nieuwe verstrooier

De Zuid-Hollander laat een nieuwe verstrooier zien, waarmee hij de biologie bijna 100% nauwkeurig over het gewas kan strooien. Dat scheelt in de hoeveelheid biologie en dus in de kosten, zegt hij. Het systeem bestaat uit buizen met gaatjes erin, die ervoor zorgen dat elk plantje de juiste hoeveelheid biologie krijgt. Er worden verschillende biologische bestrijders gebruikt, zoals montdorensis, colemani en chrysopa. Verder wordt met cucumerislinten gewerkt tegen trips. Deze linten zorgen voor een gelijkmatige en langdurige uitzet van roofmijten, waardoor het gewas continu beschermd blijft zonder extra arbeid.
Een nieuwe methode is de introductie van Chrysoline-eitjes: eitjes van de gaasvlieg die preventief kunnen worden ingezet. Deze eitjes zijn veel goedkoper dan chrysoperla larven, zegt Van Wijk. “De larven uit deze eitjes eten vrijwel alle schadelijke insecten op. Een ander voordeel is dat de eitjes beter over het gewas te verdelen zijn en dat ze in kleine groepjes zijn verdeeld, wat kannibalisme bij het uitkomen van de larven beperkt. Chrysoperlalarven kunnen niet in de verstrooier, daar kunnen ze verstikken. Bovendien zijn deze larven kannibalistisch, ze eten ook elkaar op.”
Mocht een luizenplaag uit de hand lopen, dan heeft de teler nog biologische correctiemiddelen achter de hand, die hij op het aangetaste gewas kan spuiten.

Wekelijks goed scouten

Technisch adviseur Ischka Stokman van Van Iperen begeleidt de teler in het project. Hij is tevreden over de resultaten bij de chrysantenteler. “We zitten op de goede weg, maar we zijn er nog niet. We zetten vooral in op natuurlijke bestrijders en corrigeren als dat nodig is zoveel mogelijk met groene middelen. Het is nu winter, maar er gaat altijd een moment van terugval komen. Als we die momenten kunnen opvangen met groene middelen, is het project geslaagd. Het is wel een pilot met risico’s, we zitten erbovenop om die te minimaliseren. Het allerbelangrijkste is dat er wekelijks goed wordt gescout. Doe je dat niet, dan kun je zo’n project niet draaien.”
Ook Van Wijk ziet na vier maanden groen telen positieve resultaten. Maar ook hij is benieuwd hoe de biologie zich tot de plagen gaat verhouden als de zomer er straks weer aan komt. “Het is ons al een keer gelukt om twee ronden chemievrij chrysanten te telen, met de hulp van de kennispartners uit het project krijgen we alleen maar meer inzicht in de groene oplossingen die voorhanden zijn. Ik vind het heel gaaf dat de partners met hun kennis en producten meewerken om deze stappen te maken.”
Hij vervolgt: “We proberen naar 100 procent groen te gaan, maar je zal nooit helemaal zonder chemie kunnen. Je moet altijd een correctiemiddel achter de hand hebben om de planten zo nodig te helpen, al is het maar pleksgewijs.”

Geen concessies doen

De risico’s van het project zijn dan ook voor de teler zelf. “Als er een flinke plaag uitbreekt, die tot uitval in het gewas leidt, draaien we zelf voor de schade op”, aldus Van Wijk. “We zijn lid van coöperatie VannoVa, de kwaliteit van onze producten moet 100 procent zijn. Daar willen we geen concessies aan doen. Dan kan het in dit project voorkomen dat je bloemen niet kan leveren, omdat de aantasting te groot is. Dat risico nemen we, omdat we de nut en noodzaak van de pilot inzien.”
“Wil de chrysantenteelt over tien jaar nog bestaan, dan moeten we op zoek naar groene oplossingen, dat staat buiten kijf”, besluit Van Wijk. “Ik krijg veel vragen van telers over de inzet van biologie en wil die kennis graag delen. Wat we ook weten, is dat de ene soort chrysant gevoeliger voor bepaalde plagen is dan de andere. Belangrijk is dus om je eigen soort goed te kennen. Daar ligt ook een uitdaging voor de veredeling, om op zoek te gaan naar resistente rassen.”

Tekst: Annemarie Gerbrandy, beeld: Michel Heerkens

 

  • Ruud van Wijk: “Een toekomstbestendige chrysantenteelt kan niet zonder groene oplossingen.”