Door de hoge energiekosten hebben telers hun handen vol aan energiebesparing en het uitstippelen van een nieuwe klimaatstrategie. De verwachting is dat in veel kassen komende winter de temperatuur een of enkele graden omlaaggaat. Een lagere temperatuur heeft ook impact op het functioneren van de ‘biologie’, waarschuwen leveranciers van biologische gewasbescherming. “Er zijn echter voldoende bestrijders die bij lage temperaturen goed functioneren”, volgens consultant Marjolein van der Knaap.
Het zit bij de meeste telers niet ‘top of mind’, maar in de slipstream van een aangepaste klimaatstrategie moet er ook gesleuteld worden aan de benadering van ziekten en plagen. Dat stelt Marjolein van der Knaap, consultant sierteelt bij Koppert in Berkel en Rodenrijs.
Nu al tekent zich het beeld af van de komende winter, waarin de hoge energiekosten nog steeds grote impact zullen hebben. “Telers zullen reageren met het aanhouden van lagere stooktemperaturen en andere belichtingsstrategieën, zoals minder belichten en een verschuiving naar LED en hybride belichting. Dat heeft ook gevolgen voor de inzet van biologische bestrijders.”
Actiever in winter
Er zit nogal verschil tussen de prestaties van verschillende natuurlijke vijanden bij lagere temperaturen, geeft Van der Knaap aan. “Goed scouten blijft de basis in de beheersing van plagen. Maar met preventieve inzet van natuurlijke bestrijders en met bepaalde specifieke bestrijders kun je ook veel bereiken.”
Telers weten wel dat ‘de biologie’ in de donkere wintermaanden vaak minder effectief werkt en dat de bestrijding vooral vanaf februari weer goed op gang komt. “Toch gaan natuurlijke vijanden nooit helemaal in winterrust, daar zijn ze op geselecteerd. Maar er zijn wel bestrijders die bij lagere temperaturen wat actiever blijven en dus met name geschikt zijn voor de winter.”
Ze noemt als voorbeelden de roofmijt Limonica (Amblydromalus limonicus) en de gaasvlieglarve Chrysopa. “De Limonica is een robuuste roofmijt die goed tegen kou kan. Omdat ze meer prooien eten dan veel andere roofmijten kunnen ze met een relatief lage inzet ook effectief zijn. De Chrysopa blijft ook actief bij lage temperaturen en heeft een heel divers menu. Deze gaasvlieglarve eet vrijwel alle luissoorten, echinotrips en pepertrips”, vertelt de consultant. “Verder zijn er ook microbiologische middelen die bij lage temperaturen effectief zijn, zoals bepaalde nematoden.”
Verschil per bedrijf
Volgens Van der Knaap zal de biologische aanpak voor de winter na de zomer als gespreksonderwerp op tafel komen bij de snijbloemen- en potplantenbedrijven die ze bezoekt. Ze merkt op dat veel afhangt van de teelt en de situatie waar een teler in zit. “Met welke plaagdruk kom je de zomer uit, heb je een oud of jong gewas, is het een meerjarig gewas of een korte teelt. Dat maakt allemaal uit. De plaagdruk kan zelfs per cultivar verschillen.”
Sowieso geldt dat telers geneigd zijn om meer biologisch door te telen in najaar en winter en dat het chemisch schoonspuiten tijdens een teeltwisseling geen standaardrecept meer is. “Telers hebben steeds minder effectieve middelen tot hun beschikking, daarom wordt wel of niet spuiten of alleen plaatselijk een weloverwogen keuze.” Daardoor is biologisch werken in de winter populairder aan het worden, volgens Van der Knaap.
“Ook in de winter is de plaagdruk aanwezig, maar niet altijd heel zichtbaar. Bij teeltbedrijven die vroegtijdig investeren in biologie en kiezen voor een preventieve aanpak zien we dat dit loont. Bezuinigen en wachten tot een plaag manifest wordt is verleidelijk, maar ook risicovol.”
Tekst: Koen van Wijk













