André Knoppert teelt ranonkels en pluischrysanten op de ambachtelijke manier en met de natuur mee, onbelicht en zonder veel extra input van warmte. Vakmanschap vormt de basis voor zijn teeltstrategie. “Ik probeer de bloemen zo rustig mogelijk te telen, ze krijgen alle tijd om te groeien”, zegt hij. “Door het gewas niet op te jagen, krijg je een mooi en sterk product.”

Begin maart is het nog rustig in de 6.000 m² grote kas van André en Liesbeth Knoppert in ’s-Gravenzande. De ranonkels komen voorzichtig in bloei: het is stilte voor de storm, aldus de teler. “Vanaf half maart kunnen we de eerste bloemen oogsten”, vertelt hij. “Dat gaat door tot begin mei. De eerste tak is de mooiste, iedere tak die we daarna van dezelfde plant oogsten, is minder zwaar, maar niet minder mooi. Ranonkels worden echter op gewicht uitbetaald. De eerste harde takken, die ongeveer 80 gram wegen, leveren het meeste op.”

Andere carrière

Knoppert nam de kwekerij 30 jaar geleden over van zijn schoonouders, die er glasgroenten teelden. Hij begon al snel met het telen van ranonkels. Toen zijn zoon Martijn 27 jaar geleden werd geboren, noemde de teler zijn bedrijf direct André Knoppert & Zn. Als geintje, zegt hij. “Je weet van tevoren natuurlijk nooit of je een opvolger hebt.”
Even leek Martijn het bedrijf te willen overnemen, hij werkte vier jaar samen met zijn vader. Uiteindelijk koos junior voor een andere carrière; hij zit momenteel in een overnametraject bij Lionplant, waar hij een plek krijgt in de directie.
Vader André is daar niet rouwig om. “In het hoogseizoen is het hier heel hard werken: zeven dagen in de week, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. De zondag kun je in ranonkels niet overslaan, ik wil qua rijpheid de perfecte bloem oogsten. Ook heb ik het gevoel dat wanneer we op zondag niet werken, we op maandag met 1-0 achterstaan. Hoe kan ik dan de wedstrijd winnen? Ik ben 62 jaar, ik kan nu stoppen wanneer ik wil. Misschien gaan we nog drie à vier jaar door. We zitten nergens meer aan vast.”

Koude nachten

De ranonkels worden eind oktober, begin november geplant, na de pluischrysanten. De planten houden van daglicht, maar ook van koude nachten. “We houden de kas in de winter met de kachel op 3 graden Celsius”, aldus Knoppert. “Verder gebruiken we schermen om de kou uit de kas te houden.”
“In februari staat er een vol groen gewas, vanaf maart gaat de plant takken geven. Belangrijk is om de etmaaltemperatuur goed in de gaten te houden, als de temperatuur te hoog wordt, stopt de ranonkel met produceren. In mei is het dan ook snel gebeurd met de bloemen, omdat het dan te warm wordt.”

Exclusieve soorten

De standaardrassen komen uit de Elegance- en Azurserie, daarnaast teelt de ondernemer ook een aantal bijzondere soorten, zoals de Ponpon-, Butterfly- en dure Successerie, waar de exclusieve Hanoi onder valt. “De Butterfly lijkt op een anemoon, die past mooi in veldboeketten”, vertelt hij. “De Hanoi is de koningin onder de ranonkels. Die teel je uit weefselkweek, een heel kostbaar proces. Daar zit een risico aan, het moet wel lukken, en je weet nooit precies wat de kwaliteit van het uitgangsmateriaal is. Maar ik vind het leuk om iets anders te telen dan het gebruikelijke assortiment én we hebben er klanten voor.”
Weefselkweek is eigenlijk te duur voor Nederlandse omstandigheden, omdat het seizoen te kort is, aldus de teler. “Je oogst maar twee takken van zo’n plant. Dit in tegenstelling tot Zuid-Europa, waar telers in februari, maart al volop met de oogst bezig zijn.”

Drie grote veredelaars

De veredeling van de ranonkels vindt vooral in Italië plaats, rond de Bloemenrivièra van San Remo en in een strook in Frankrijk. Daar zitten de drie grote veredelaars, maar de expertise en het uitgangsmateriaal gaan de hele wereld over. Knoppert: “In dat gebied vind je geen goede productielocaties vanwege de geografische ligging; de meeste telers hebben daar een kleine kas, omdat het er erg heuvelachtig is. In Nederland worden voor 90 procent ranonkels uit de Elegance- en Azurserie geteeld, waarbij je ziet dat Azur het overneemt van Elegance. Dat komt omdat een Franse veredelaar ranonkels uit de Azur-serie voor de Nederlandse markt probeert te veredelen. Een hele slimme zet.”

Pluischrysanten

De ranonkelteelt duurt tot ongeveer half mei. Dan wordt de kas schoongemaakt en de grond gespit en gestoomd: klaar voor de pluischrysantenteelt. De twee gewassen sluiten qua arbeid mooi op elkaar aan, zegt de teler. Ook in pluischrysanten gebruikt de teler een divers assortiment van rassen en kleuren, zoals Kalimba, Tutu, Magnum en Fuego. “We hebben sommige soorten met een zakje erom”, vertelt hij. “Daar hebben we nog steeds klanten voor.”
Knoppert teelt ook nog wat ouderwetsere soorten, die zijn trager en hebben meer uitval. “Daar krijg je nog wel een goede prijs voor”, zegt hij. “Maar het gaat er uiteindelijk om hoeveel bloemen er goed worden in een kap.”
De pluischrysantenteelt is qua gewasbescherming een ingewikkelde teelt, zeker als je het vergelijkt met ranonkels, weet de Westlander. “Ranonkels groeien in de winter, we hoeven geen insecticiden te gebruiken. Het enige probleem kan meeldauw zijn, maar dat hebben we met zwavelverdampers goed onder controle. Bij de pluischrysant is het alle hens aan dek, de bloemen hebben een nultolerantie. 90 procent van de gewasbescherming gaat met biologie en groene middelen, zoals NeemAzal T/S. Dat gaat best goed, als je de vinger maar aan de pols houdt. Trips en luis zijn inmiddels een gepasseerd station, maar er komen nu allerlei andere plagen op, zoals wantsen.”

Niet meer investeren

Voor wantsen is nog geen biologische oplossing. “De wants zuigt aan jonge plantdelen, wat tot misvormingen kan leiden of kwaliteitsverlies. Steeds meer telers kiezen ervoor om de kas af te gazen. Ik heb een offerte liggen van 60 mille, maar daar ga ik op mijn 62e niet meer aan beginnen. We hebben vorig jaar nog geïnvesteerd in nieuwe Obscura-schermen, die we in de winter dus gebruiken om de kou uit de ranonkels te houden en in de zomer om de warmte voor de pluischrysanten binnen te houden. Maar het houdt een keer op met investeren.”
Wat de toekomst betreft, is de teler duidelijk: “We gaan door zolang mijn vrouw en ik het leuk vinden. We kunnen met deze twee teelten een prima boterham verdienen, maar het is hard werken, dit is een ambachtelijk bedrijf. Onze dochter heeft onlangs een huis gekocht, daar zit een klein tuintje bij. Daar teel ik potanjers en daar heb ik ook veel lol in. Ik houd wel van een uitdaging.”

Tekst: Annemarie Gerbrandy, beeld: Michel Heerkens

 

  • André Knoppert: “De eerste tak van de ranonkel is het mooist. Iedere tak die we daarna van dezelfde plant oogsten, is minder zwaar, maar niet minder mooi.”