De roofwants Nesidiocoris tenuis bezorgt steeds meer tomatentelers kopzorgen. Bij Vereijken Kwekerijen wordt met een geïntegreerde aanpak gewerkt, waarbij insectengaas, aaltjes, hygiëne en vroegtijdig scouten elkaar versterken. “Je krijgt het plaaginsect nooit helemaal weg, maar je kunt de populatie wel beheersbaar houden”, zegt gewasspecialist Aike de Heer.

Nesidiocoris tenuis (Nesi) is volgens Aike de Heer momenteel één van de lastigste plagen in de tomatenteelt. De roofwants lijkt sterk op de nuttige Macrolophus, maar gedraagt zich heel anders. Waar Macrolophus wittevlieg, spint en andere plagen bestrijdt, richt Nesi juist schade aan het gewas aan.
De nimfen prikken de oksels in de kop van de plant aan. Daardoor ontstaan necrotische ringen, waardoor de kop tijdens het indraaien van de plant gemakkelijk afbreekt. “Dat kost je zo een paar euro”, zegt De Heer. “Voordat er weer nieuwe tomaten aan zitten, ben je al snel 2,5 week verder.”
Daarnaast ontwikkelt deze wants zich veel sneller dan Macrolophus: binnen anderhalve maand kan Nesi de hele populatie Macrolophus uit de kas verdringen. “Beide soorten lijken sterk op elkaar. Er zijn nog geen gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar die uitsluitend Nesi aanpakken.”

Belichte kassen afgazen

Om de invlieg van de roofwants van buitenaf te beperken, voorziet de kwekerij de belichte tomatenkassen stap voor stap van insectengaas. Vooral in deze teelt vormt de plaag een groot probleem, omdat de jonge planten al vroeg in het seizoen worden aangevallen. Het bedrijf wil uiterlijk in 2030 alle belichte kassen van insectengaas hebben voorzien.
Maar, zegt De Heer, afgazen biedt geen volledige garantie. “Ook besmet plantmateriaal of aangrenzende kassen kunnen voor nieuwe besmettingen zorgen.” Toch ziet hij duidelijke voordelen. “We merken dat de populatiegroei wordt afgeremd. In sommige kassen hoeven we nauwelijks meer chemisch in te grijpen.”

Goede resultaten met aaltjes

Naast insectengaas zet Vereijken intensief aaltjes in. De aaltjes werken alleen goed onder de juiste omstandigheden: weinig zonlicht, een relatieve luchtvochtigheid boven de 70% en temperaturen bij voorkeur onder de 25ºC. Ook wordt een hulpstof toegevoegd zodat het gewas langer nat blijft en de aaltjes meer tijd krijgen om hun werk te doen.
De kwekerij spuit de aaltjes wekelijks, gericht op de kop van het gewas, waar de jonge Nesi zich bevindt. Chemische correcties blijven soms nodig, maar veel minder dan voorheen, zegt De Heer. “Aaltjes zijn voor ons inmiddels een to-go middel geworden. Het is een biologisch middel, er zitten geen eisen aan frequentie of dosering. We hebben ooit eerder aaltjes getest, de resultaten vielen toen wat tegen. Nu werken we volgens bepaalde randvoorwaarden, waar we ons streng aan houden.”

Vroeg scouten is cruciaal

Volgens De Heer staat of valt de bestrijding met vroegtijdig scouten. Nesi kan zijn levenscyclus in ongeveer vijftien dagen doorlopen en bouwt daardoor razendsnel een populatie op. “Zie je de eerste Nesi, dan moet je meteen handelen. Wacht je anderhalve maand, dan zit de hele kas er vol mee. Daarom controleren we ook de bekende risicoplekken, zoals deuren, warme hoeken en aangrenzende kassen. Lokale behandelingen voorkomen dat de plaag zich over de hele kas verspreidt. Het doel is niet om Nesi volledig uit te roeien. Dat lukt niet. Je moet een lage populatie accepteren.”
Naast bestrijding tijdens de teelt speelt bedrijfshygiëne een steeds grotere rol. De kassen moeten zo schoon mogelijk zijn voordat aan een nieuwe teelt wordt begonnen en het gewas moet ook schoon zijn aan het einde van de teelt. “Anders verhuist Nesi gewoon naar de volgende kas. Dan blijf je de plaag rondpompen.”

Speciale werkgroep Nesidiocoris

Binnen de werkgroep Gewasbescherming Tomaat van Glastuinbouw Nederland is een aparte projectgroep rond Nesi opgezet, vertelt Annelies Hooijmans, coördinator Ondernemersnetwerken van Glastuinbouw Nederland. “Deelnemers in de groep richten zich op een effectieve aanpak van deze plaag. We zijn onlangs aangesloten bij onderzoek naar lasertechniek voor insectenbestrijding. Hier wordt bekeken of deze techniek ook kan helpen tegen Nesidiocoris.”
Daarnaast wordt samengewerkt met fabrikanten van biologische gewasbescherming en het project 100% Groen Geteeld van FVO, aldus Hooijmans. “Zo zoeken we samen naar praktische en haalbare oplossingen voor telers.” Volgens De Heer levert dat direct resultaat op. “Als we niet in de projectgroep hadden gezeten, waren we waarschijnlijk nooit op deze manier met aaltjes aan de slag gegaan.”

Tekst: Annemarie Gerbrandy