De glastuinbouw is door de coronacrisis flink aangeslagen, maar zal deze waarschijnlijk zonder faillissementen overleven, al verschilt de situatie per sector en van bedrijf tot bedrijf. Frank Hollaar, sectorleider tuinbouw van Flynth adviseurs en accountants in Naaldwijk, zegt dat de onzekerheid is toegenomen. “Telers moeten zich voorbereiden op scenario’s die we vroeger als niet-bestaand achtten.”

Hoe zou je de financiële situatie van de Nederlandse glastuinbouw op dit moment willen omschrijven?

Er is bij veel bedrijven toch wel een behoorlijk gat geslagen. Met name bij de sierteeltbedrijven. Vooral in de snijbloemen, zoals chrysanten en rozen, maar ook in kleinere teelten als snijcymbidium en calla. Ook de telers van phalaenopsis hebben zware maanden achter de rug. Maar gemiddeld niet in die mate die we aanvankelijk hadden verwacht, al doe je daarmee altijd sommige individuele gevallen tekort. De teneur is wel dat ondanks die schade de bedrijven dankzij de steunmaatregelen van de overheid in staat zijn dit te overleven. Maar wat er nog aan schade aan zit te komen, denk aan een tweede coronagolf of recessie, is lastig te zeggen. De Nederlandsche Bank laat in ieder geval zien dat die scenario’s niet erg florissant zijn. Bedrijven zijn vrijwel allemaal tijdig geholpen met tijdelijke financiering. We zitten nu nog midden in het proces van noodfondsaanvragen. Daar komen redelijk veel bedrijven voor in aanmerking. De tijdelijke balans die we kunnen opmaken is dat de sector het gaat redden en in staat is om zich te blijven ontwikkelen.

Zorgwekkend, maar niet rampzalig. Mag ik het zo samenvatten?

Ja. Er zijn zelfs bedrijven die dit jaar een fantastisch seizoen draaien omdat tuincentra in Europa versneld opengingen en mensen als gevolg van de coronamaatregelen heel veel tijd in hun tuin gingen doorbrengen, wat resulteerde in een gretige afname van buitenplanten. Sommige chrysantentelers moesten hun gewas versnipperen, terwijl collega’s vrijwel alles wisten te verkopen. Er zijn ook snijbloementelers die zeggen: we hebben onze contracten in stand kunnen houden, maar de prijzen staan wel onder druk. Als je in de groenteteelt aan de horeca leverde heb je de afgelopen tijd echt in een rothoek gezeten. Maar ik ken ook een groenteteler met specialties, die hij afzet op de Italiaanse markt. Die bleef zijn omzet, zelfs op die markt, gewoon houden. Het beeld is dus heel divers.

In hoeverre is er een beroep gedaan op noodkredieten?

Voor een grote groep bedrijven hebben we die noodkredieten aangevraagd, al was er ook een groep telers die na de schrik van de eerste weken zei geen noodkrediet meer nodig te hebben. Dat zijn overwegend borgstellingskredieten, waar de overheid garant voor staat. Dat is een heel soepel proces geweest, waarbij zowel banken, als klanten, als wij heel goed met elkaar konden samenwerken met een eenduidige set aan informatie, waardoor we vrij snel konden schakelen. Ik denk dat uiteindelijk zo’n 10% van de bedrijven gebruik heeft gemaakt van een noodkrediet.

Hoeveel bedrijven hebben tot nu gebruik gemaakt van het noodfonds?

Hoeveel er uiteindelijk echt recht hebben op compensatie is op dit moment nog heel lastig te zeggen. Als we kijken naar onze eigen klantenkring, zien we dat ongeveer een kwart van de sierteeltbedrijven het aanvraagt, waarvan uiteindelijk een substantieel deel niet, en vaak ‘net niet’ in aanmerking blijkt te komen. Ik schat dat zo’n 10% tot 20% van de sierteeltondernemers ervan kan profiteren en we hebben in Nederland een kleine 1.800 sierteeltbedrijven onder glas, dus reken maar uit.

Wat vind je van de drempel van 30% omzetverlies als voorwaarde?

Een groep bedrijven valt helaas net onder de drempel van 30% omzetverlies of valt om een andere reden buiten de boot. Door die drempel is er nu sprake van concurrentievervalsing. Immers, iemand met 31% omzetverlies krijgt nu 49% van 31% = 15,19% schadevergoeding, dus heeft per saldo nog ‘maar’ 15,81% omzetverlies. Dit terwijl iemand met 29% omzetverlies geen schadevergoeding krijgt en dus uiteindelijk slechter af is. Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Maar wellicht had een meer gestaffelde vergoedingsstructuur hier wel op zijn plaats geweest.

Denk je dat de overheid op dit punt te zuinig is geweest?

Nee, ik denk dat we als sierteelt, samen met de frietaardappelen en branches als de horeca en evenementen, heel tevreden moeten zijn dat het noodfonds er is, mede dankzij de lobby van Glastuinbouw Nederland. Er zijn maar heel weinig branches die een noodregeling op maat hebben gekregen. Laten we vooropstellen dat het geld hiervoor afkomstig is van de belastingbetaler. Het laat ook zien hoe belangrijk de glastuinbouw voor Nederland is.

Hoeveel bedrijven hebben sinds coronacrisis uitstel van betaling of een faillissement aangevraagd?

Dat is tot nu toe heel beperkt gebleven. De banken hebben wel heel duidelijk gezegd: we kijken eerst of er überhaupt een financierbare businesscase is. Met andere woorden: heeft het bedrijf financieel bestaansrecht in een situatie zonder corona? Dat was een heel duidelijk statement. In de afgelopen jaren zijn er in de glastuinbouw toch flinke buffers opgebouwd en is er hard gewerkt aan het toekomstbestendiger maken van bedrijven. Als we kijken naar het noodfonds: daar wordt alleen gekeken naar omzetverlies en niet naar bedrijfsvermogen. Het kan dus voorkomen dat een bedrijf met een sterke vermogenspositie vanwege 30% of meer omzetverlies in aanmerking komt voor het noodfonds, terwijl andere bedrijven met minder vermogen soms net buiten de boot vallen, omdat ze onder die omzetdrempel blijven. Daar zet ik weleens mijn vraagtekens bij.

Wat verwacht je voor het komende kwartaal?

Ik verwacht niet te veel, maar hoop dat de stabilisatie die er nu is, aanhoudt. Ik denk dat het komende kwartaal tot het einde van het jaar in het teken zal komen te staan van: zoveel mogelijk grip houden op je bedrijfsvoering, zowel financieel, personeel als operationeel. Hoe kan ik productie houden, hoe zit het met mijn arbeid, hoe ziet mijn liquiditeitsbegroting er de komende tijd uit. Het ‘wat als’-denken moet niet alleen gaan over een eventuele tweede besmettingsgolf, maar ook over meer praktische zaken. Telers moeten zich voorbereiden op scenario’s die we vroeger als niet-bestaand achtten, en tegelijk meer aan risicospreiding gaan doen, zonder daarbij het strategische perspectief uit het oog te verliezen. Ondernemers moeten uiteraard ook visie houden, het is niet alleen maar dweilen. Maar ze moeten nu vooral aan risicomanagement op hun processen doen.

Wat zou je nu zeggen tegen Nederlandse bedrijven met een stek- of productiebedrijf in Afrika?

Dat is natuurlijk heel lastig. Ik heb me de afgelopen weken serieus afgevraagd: is dat nog wel toekomstbestendig? Ik snap wel dat je het daar doet, maar moet je ook niet een back-up in Nederland hebben? De vanzelfsprekendheid in de continuïteit van luchtvracht is er niet meer. Het is dan wel degelijk een bedrijfsrisico geworden.

Zie je ook kansen in de coronacrisis?

Als je nu als ondernemer denkt dat we straks weer allemaal gewoon op de oude voet door gaan denk ik dat je een misvatting maakt. Een groot deel van de consumenten zegt ook: deze crisis geeft ons aanleiding om dingen fundamenteel te veranderen. Je ziet hoe men nu bijvoorbeeld anders aankijkt tegen vliegverkeer. Denk ook aan de beelden van de vleesverwerkende industrie, waar veel arbeidskrachten besmet waren. Dat zet mensen aan het denken. Crises als deze leiden heel vaak tot nieuw normatief besef en tot disrupties. Dat hoeft niet altijd negatief te zijn. Het kan de geesten ook rijp maken voor nieuwe concepten, producten of manieren van leven en beleven. Denk bijvoorbeeld aan gezondheid, natuurbeleving of energietransitie: in die zin zit de tuinbouw toch heel dicht op maatschappelijke issues. Het begrip ‘groen herstel’ zie je nu ook steeds meer handvatten krijgen. Slimme ondernemers kunnen erop inspelen en daar een bijdrage aan leveren.

Tekst: Mario Bentvelsen