De lichtdoorlatendheid van het kasdek werd tot nu toe gemeten in droge toestand. Maar de helft van het jaar is het dek juist nat door condens. En de manier van condensatie bepaalt of de doorlatendheid kleiner of groter wordt. Er is nu een meetprotocol om dat in beeld te brengen. Voor bestaande kassen is een anticondenscoating een optie. Tomatenteler Paul van Paassen heeft daar als eerste teler ervaring mee.

Goed meten van de lichtdoorlatendheid (transmissie) van kasdekmaterialen is essentieel om in te kunnen schatten hoeveel natuurlijk licht het gewas kan benutten. In het begin van deze eeuw werd onder ‘goed meten’ nog verstaan: meten van loodrecht doorvallend licht. Voor de teler gaf dat echter geen goed beeld, want het grootste deel van het licht valt niet loodrecht binnen, maar onder een hoek. Dan veranderen er twee dingen: de weg van het invallend licht door het glas is langer en bij schuin invallend licht weerkaatst er meer. Daar komt bij dat bij bewolkt weer het licht uit alle richtingen komt waardoor meting onder alle mogelijke invalshoeken noodzakelijk is.

Hemisferische transmissie

Tegenwoordig is meten van de hemisferische transmissie standaard. Maar ook dat geeft voor de teelt nog geen betrouwbaar beeld, legt Gert-Jan Swinkels, lichtmeetexpert van Wageningen University & Research uit. De transmissie door nat glas is over het algemeen anders dan die door droog glas. Daarbij maakt de manier van condensatie op het materiaal veel uit. Bij druppels is de transmissie lager, bij een waterfilm kan hij zelfs groter worden. “In de wintermaanden is het kasdek bij glasgroenten bijna honderd procent van de tijd nat. Dat is juist de tijd dat de lichthoeveelheid de beperkende factor is voor een goede productie. De natte transmissie van het kasdek zou daarom een belangrijke overweging moeten zijn bij de keuze van het materiaal als je een nieuwe kas laat bouwen”, zegt hij.

Metingen grillig

Al in 2010 heeft een team onder leiding van Cecilia Stanghellini de effecten van condens op een rij gezet. Daartoe bouwden ze in een klimaatkamer een kleine kas, waarvan het dek kon worden gewisseld. Zo konden ze onder perfect gecontroleerde omstandigheden condensatie bestuderen. Het resultaat was verrassend. Gemiddeld over alle geteste materialen heen was het lichtverlies bij condensatie maar liefst 9% ten opzichte van een droog dek. Dit getal is in de praktijk een eigen leven gaan leiden. De verschillen tussen de materialen waren namelijk groot. Voor gewoon tuinbouwglas was de teruggang in licht 5%. Diffuus glas liet in droge en natte toestand vrijwel evenveel licht door.
Met dit onderzoek was aangetoond dat het nogal wat uitmaakt of het dek nat of droog is. Bovendien bleek uit modelberekeningen dat het dek de helft van de tijd in meerdere of mindere mate nat is.
Het onderzoek was nuttig voor de bewustwording, maar natuurlijk is de methode met een proefkas in een klimaatkamer te omslachtig voor praktijkmetingen. Daarnaast is er nog een ander probleem, vertelt Swinkels: “Twee jaar geleden hebben we in de Winterlichtkas de hoeveelheid PAR-licht gemeten onder droog en nat diffuus dek. Dat gebeurde met PAR-sensoren. Over een langere periode klopten de trends vrij aardig maar de metingen waren grillig; je zag bijvoorbeeld een verloop over de dag, zelfs bij bewolkt weer. Dat was zodanig dat zo’n meting echt niet betrouwbaar genoeg is om beslissingen op te baseren en teveel tijd kost.”

Condensmeter

Geconcludeerd werd dat er een gestandaardiseerd meetprotocol nodig is, dat het op den duur tot norm kan schoppen (of in NEN 2675 kan worden meegenomen). Daarvoor is een speciaal apparaat gebouwd, dat nog geen officiële naam heeft, maar voorlopig ‘condensmeter’ heet. Vervolgens hebben Swinkels en collega’s met dit apparaat de meetmethode geoptimaliseerd. Het project is gefinancierd door Kas als Energiebron, LTO Glaskracht Nederland, Stichting Programmafonds Glastuinbouw, Glascom Tuinbouw en het ministerie van EZ.
“De conclusie is dat we met dit apparaat goed de transmissie door droge en natte materialen kunnen meten onder een instelbare hoek, de kasdekhelling. Omdat je de helling kunt instellen gaat condenswater afvloeien en krijg je een realistisch beeld van wat er in een echte kas gebeurt. De metingen zijn redelijk stabiel, maar omdat er vele factoren van invloed zijn op condensatie komt er bij herhaling soms net iets anders uit. Daarom classificeren we het effect van condens voorlopig niet in procenten, maar in klassen, zoals negatief, sterk negatief, positief en sterk positief”, vertelt de onderzoeker.

Hydrofober glas

Voor de ontwikkeling van het protocol zijn zes monsters gebruikt: vier diffuse materialen en twee heldere glassoorten. “Bij de diffuse soorten nam de transmissie in natte toestand 0 tot 1,5 procent toe, bij helder glas zag je een afname van 1 tot 3 procent”, zegt hij. Dat is dus een iets andere orde van grootte dan de 5% in het project van Stanghellini. Swinkels heeft daar wel een verklaring voor: “Het viel ons op dat nieuw glas hydrofober – waterafstotend – is, waardoor je grovere druppels krijgt. Glas dat al jaren op de kas ligt en vaak is schoongemaakt, wordt juist hydrofieler, waardoor je meer een waterfilm krijgt.”
Het apparaat is nu al in functie. Hij hoopt dat de bewustwording over het belang van natte transmissie groeit en dat fabrikanten meer rekening gaan houden met het condensgedrag van hun materialen.

Bestaande kassen

Voor bestaande kassen zijn inzichten in de condenseigenschappen van het dek mosterd na de maaltijd. Al in het rapport van 2010 schreven de onderzoekers dat een ‘anti-drop’ coating in bestaande kassen een goed middel zou zijn om lichtverlies door condensdruppels tegen te gaan. Mardenkro heeft zo’n coating voor glas ontwikkeld onder de naam AntiCondens; het is de doorontwikkeling van een formule die al jaren in plastic tunnels wordt gebruikt.
Paul van Paassen in Bleiswijk is de eerste Nederlandse teler die ervaring heeft. Hij teelt 2,2 ha trostomaten (ras Merlice) op kokossubstraat. “Vorig jaar was het aardig vochtig en de ruiten bleven erg lang nat. Teeltvoorlichter Willem Valstar suggereerde toen om de nieuwe coating te proberen. We hebben in mei zes ruiten als proef ingespoten. Dat was overtuigend. Aan het eind van de teelt heb ik daarom het product laten komen”, vertelt hij.

Wereld van verschil

Vervolgens was het tijdens de teeltwisseling wachten op een mooie droge dag. Want de coating moet op een schoon droog dek worden opgebracht en vervolgens een tijd drogen. Omdat Van Paassen toch zijn verwarmingspijpen flink moest opwarmen, om de dampen van de net aangebrachte verf eraf te stoken, droogde de coating meteen mee. De coating is opgebracht met een spuitkar met de nozzles dicht bij het glas. Het blijft een seizoen zitten. Als de ruiten worden gereinigd met fluor, verdwijnt de coating ook.
De teler is goed te spreken over het effect: “Het is een wereld van verschil. Het ziet er heel anders uit. Er is wel condens, maar je ziet het helemaal niet. Je ziet wel duidelijk dat het lichter is, maar het is moeilijk aan te geven wat de gevolgen daarvan zijn voor productie en kwaliteit.”
Bij het middenpad is toevallig net een stukje dek niet geraakt. Daar zie je wel nog condensdruppels zitten. Mardenkro heeft op deze plek de lichtinval gemeten met een PAR-sensor en die vergeleken met de lichtinval onder de coating. Het verschil is opvallend: op drie opeenvolgende dagen in mei verbeterde de dagelijkse lichtsom door de coating met 6 à 7%.

Drogende periode

Van Paassen hanteert een vorm van Het Nieuwe Telen; het komt neer op meer schermen dan in het verleden, maar wel de plant goed activeren in de ochtend. Hij had al weinig last van meeldauw en kan daarom niet zeggen of de coating de ziektedruk verlaagt. “In theorie moet het gemakkelijker zijn om droog te stoken. Bovendien vloeit de waterfilm gemakkelijker naar de condensgoot”, vult account manager Paul van Gils aan.
Ook zou de kas in de ochtend door de verbeterde lichtinval wat sneller moeten opwarmen in de ochtend. “Maar dat is niet te meten”, zegt de teler. “Ik denk wel dat het werkt en heb het gevoel er wel wat op te hebben verdiend. Ik bestel aan het eind van het jaar weer nieuwe emmers, maar dan hangt het van het goede moment af of ik het ook daadwerkelijk ga opbrengen, want ik kan niet inschatten of het nog loont als ik speciaal moet opstoken om het glas eerst droog te krijgen.”
Van Gils erkent dat het grootste struikelblok vooralsnog de noodzaak van een drogende periode tijdens het opbrengen is. Voor telers die in de warme maanden wisselen, zal dat geen probleem vormen. Het middel is niet fytotoxisch in de vorm waarin het wordt opgebracht; alleen bij roos zijn er wat bezwaren als de bloemknop nat wordt. Maar opbrengen boven een gewas vraagt wel speciale spuitapparatuur.

Tekst en beeld: Tijs Kierkels