In april van dit jaar introduceerden de eerste paprikatelers de sluipwesp Trissolcus basalis in hun kassen. “Deze soort parasiteert eieren van Nezara viridula, die de laatste jaren veel schade heeft aangericht in paprikateelten”, zegt IPM-expert Janette van de Werken. “Het is de eerste biologische bestrijder die telers gericht tegen deze plaag kunnen inzetten.”

Tot afgelopen voorjaar konden telers de zuidelijke groene stinkwants (Nezara viridula) uitsluitend handmatig of chemisch bestrijden. Handmatig bestrijden in combinatie met nauwgezet scouten is zeer arbeidsintensief, maar kan de plaagdruk in het voorjaar wel geruime tijd laag houden. Chemisch bestrijden kan weliswaar effectief zijn, maar gaat meestal ten koste van aanwezige biologische bestrijders van andere plagen. En zonder de roofwants Orius is trips niet onder controle te houden.

Onderdeel van totaalaanpak

“Er werd reikhalzend uitgezien naar een effectieve biologische oplossing en die lijken we nu voor een deel in handen te hebben”, vertelt Janette van de Werken, teamleider biologie bij Benfried. “We hebben dit seizoen beslist positieve ervaringen opgedaan met Trissolcus basilis. Het is geen ultieme oplossing, wel een waardevolle bouwsteen van een brede totaalaanpak. Het schoon eindigen van teelten om de nieuwe teelt zonder Nezara te kunnen starten, blijft minstens zo belangrijk. Dat is dit jaar opnieuw gebleken.”

Niet schoon geëindigd

Menig paprikabedrijf had in april al met de wantsen te kampen. Toeleverancier Benfried had de sluipwespen graag eerder in het seizoen willen leveren, maar toen waren er nog onvoldoende beschikbaar. “In een volwaardige populatie wantsen kunnen sluipwespen de opbouw hooguit vertragen. Volledig bestrijden zal dan niet lukken”, merkt de IPM-expert op. “Dat zagen we duidelijk bij de bedrijven die vroeg in de problemen kwamen. De wantsen kwamen zo goed als zeker uit de vorige teelt, waaruit je moet concluderen dat ze niet schoon zijn geëindigd.”
Van de Werken merkt op dat er bij het verwijderen van vaste folieschermen in het voorjaar soms volwassen wantsen omlaag vallen, die boven het scherm hebben overwinterd.  “Dan weet je dat het gewas daar aan het einde van de teelt niet is schoongespoten met een breed werkend middel.”

Plaagopbouw vertragen en uitstellen

Bedrijven die wel schoon waren geëindigd, konden de sluipwespen direct na de eerste waarnemingen van ei-pakketjes in mei/juni introduceren. “Dat zijn de maanden waarop de eerste wantsen normaliter de kassen in komen”, zegt Van de Werken. “Een beginnende populatie kun je met sluipwespen veel langer de baas blijven. Daarmee verleng je ook de periode dat je jonge en volwassen wantsen handmatig kunt blijven dooddrukken. Omdat de eieren effectief door de sluipwespen worden geparasiteerd, zijn de aanwas van jonge wantsen en de reproductiefactor van de populatie als geheel immers ook stukken lager.”

Eerder starten met groter aantal

In het nieuwe seizoen kan Trissolcus desgewenst eerder worden geïntroduceerd dan in april. De teamleider verwacht dat veel telers daar voor kiezen. “Afhankelijk van de kosten zullen de uitgezette aantallen misschien wat omhoog gaan, want die waren in veel gevallen aan de lage kant. Wij adviseren om per vierkante meter één sluipwesp per week uit te zetten en dat meerdere keren te doen. Zolang er Nezara-eieren in het gewas zitten, kan de populatie sluipwespen zichzelf vervolgens in stand houden.”
Van de Werken hoopt dat de prijs van de biologische bestrijder iets omlaag kan. “Dat zou de drempel wat kunnen verlagen. Of daar ruimte voor is, hangt sterk af van de kweekresultaten en de eventuele schaalvoordelen die onze producent Bioplanet in Italië kan realiseren. Dat de sluipwesp ook is ingezet door bedrijven met aubergines en komkommers, kan wellicht helpen.”

Tekst: Jan van Staalduinen