Teeltwisselingen vormen een goed moment voor grondige reiniging en desinfectie, zodat de nieuwe teelt schoon kan beginnen. In een kas die nooit leeg ligt, kan dat niet. Voor rozenteler Harmen Goudriaan uit Almere is dat een gegeven. Hoe houdt hij ziekten en plagen in toom?

Op zijn bescheiden kwekerij van ruim 1 ha legt Goudriaan zich toe op trosrozen voor het hogere marktsegment. Hij kan zich alleen onderscheiden met topkwaliteit. Eén van de consequenties daarvan is een relatief lage productie per m². Een ander gevolg is dat hij het gewas meestal na vijf, soms al na vier jaar moet ruimen. Zodra de takkwaliteit terug gaat lopen, wordt het tijd voor vervanging.
Ook dan ligt de kas nooit helemaal leeg. “Wanneer ik een aanplant vervang, gaat het om hooguit één of een halve afdeling”, zegt Goudriaan. “Daardoor kan ik de kas nooit grondig schoonspuiten en desinfecteren en zijn er altijd ziekten en plagen aanwezig die kunnen overslaan op een nieuwe aanplant. Daar valt niet aan te ontkomen. Het creëert flinke uitdagingen, ook dat is een gegeven.”

Vier sporen

Om ziekten en plagen zo lang mogelijk de baas te blijven, volgt de teler vier sporen. Het eerste spoor is bedrijfshygiëne. Zonder beschermende kleding en preventieve ontsmetting komt zelfs de meest vertrouwde adviseur de kas niet meer in en ook vaste medewerkers dienen zich te schikken in het protocol.
Het tweede spoor is een weerbaar gewas. Goudriaan: “Onze rassen zijn gelukkig niet heel vatbaar voor meeldauw, ik kan volstaan met één spuitronde in het voorjaar en één ronde in het najaar. Meeldauw is hier niet echt een issue en daar ben ik wel blij mee.”
De teler gebruikt bovendien plantversterkers, biostimulanten en kruidenextracten om de weerbaarheid van zijn gewassen te ondersteunen én om ze minder aantrekkelijk te maken voor belagers, zoals bladluizen. Ook middelen op basis van neem, die trips bestrijden, hebben zo’n afstotende werking.

Maximaal biologisch

Het derde en voornaamste spoor is biologische gewasbescherming. “Ik gebruik alle biologische bestrijders die werken en vul dat in eerste instantie aan met natuurlijke middelen die de biologie niet schaden”, licht hij toe. Met een staand leger van onder andere de roofmijten cucumeris en montdorensis, de bodemroofmijt Hypoaspis miles en de bodemroofkever Atheta coriaria houdt hij spint en trips onder controle. “In de grond onder het teeltsysteem overwinteren tripspoppen”, legt Goudriaan uit. “Atheta doet zich daar graag aan tegoed.”

Luisbestrijding wordt moeilijker

Het vierde en laatste spoor is chemisch corrigeren, wat de teler zo min mogelijk doet. “Iedere bespuiting, zelfs met gewoon water, verstoort het systeem en gaat ten koste van de gewasgroei”, verklaart hij. “Spuiten met chemische middelen doe ik daarom alleen als het echt niet anders kan. Het aanbod van chemische middelen wordt echter steeds kleiner. Nu Plenum en Tafari niet meer beschikbaar zijn, wordt met name de luisbestrijding lastiger. Sluipwespen en andere maatregelen kunnen de populatie vaak lang onderdrukken, maar je krijgt op enig moment altijd een uitbraak. Het luisprobleem is overigens niet uniek voor de rozenteelt, het raakt iedere teler. Terugkomend op je vraag: wij kunnen het tot nu toe ook zonder periodieke ontsmetting dus heel aardig rooien, maar de uitdagingen worden eerder groter dan kleiner.”

Tekst: Jan van Staalduinen