Groentetelers komen er liever niet voor uit dat ze wolluis hebben. Samenwerkende partijen legden telers in 2015 daarom een vragenlijst voor. Het blijkt een lastig te bestrijden beestje te zijn dat steeds meer voorkomt in de groenteteelt, vooral in tomaat, paprika en aubergine. De aanpak is divers. Een duidelijke biologische strategie ontbreekt nog. Diverse bedrijven en onderzoeksinstellingen werken nu aan effectieve, betaalbare bestrijdingsmethoden.

Wolluizen leven van plantensap en hebben de neiging om in kolonies te leven. Door de opname van zoveel plantensap kunnen planten groeikracht verliezen. Ze zitten vaak op de vruchten, aan de oksel van de stengels of aan de plantenvoet. Bij paprika zitten ze bijvoorbeeld onder de kroontjes van de vruchten en in tomaat vaak eerst bij de plantenvoet, in de clipjes en laag op de stengels.
Telers zien wolluizen vaak over het hoofd, omdat ze zich goed verbergen in plantenoksels of kasstructuren om aan hun natuurlijke vijanden en/of moeilijke omgevingscondities te ontsnappen. Pas tijdens de piekperioden komen ze massaal te voorschijn.

Mannetjes en vrouwtjes

Volwassen mannetjes en vrouwtjes verschillen sterk qua uiterlijk. Volwassen vrouwtjes zijn bedekt met een beschermende wasachtige laag, hebben meestal poten, geen vleugels en zijn 0,4 tot 0,8 mm lang. De geslachtsrijpe vrouwelijke exemplaren produceren een seksferomoon om mannetjes te lokken.
Bevruchte vrouwtjes leggen honderden eieren, meestal in een eizak die bestaat uit een witte wolachtige massa. Deze beschermt de eieren tegen vijanden, ziekteverwekkers, droogte en een te hoge luchtvochtigheid. In deze eizak blijven de eieren ook makkelijker hangen op de planten. Na het eieren leggen verdrogen de vrouwtjes. Onbevruchte en ‘overwinterende’ bevruchte vrouwtjes kunnen een aantal maanden overleven.
Vrouwelijke wolluizen doorlopen vijf ontwikkelingsfasen: eieren, drie nimfenstadia en het volwassen stadium. De optimale omstandigheden voor de ontwikkeling van wolluizen zijn 26ºC en 60% luchtvochtigheid. Elk stadium duurt dan tussen 6 en 16 dagen. Volwassen mannetjes zijn gevleugeld en ongeveer 1 mm lang. Ze hebben geen monddelen en kunnen zich dus niet voeden. Ze overleven slechts enkele dagen om te paren. Mannetjes doorlopen zes ontwikkelingsfasen tot aan volwassen mannetje.

Enquête onder telers

Biobest en LTO Glaskracht Nederland namen in 2015 de problematiek onder de loep met ondersteuning van PT-geld. Zij zochten contact met telers en gewasbeschermingsadviseurs. Via de website van de telersorganisatie konden telers een vragenlijst invullen over hun ervaringen met wolluizen en hoe ze met het probleem omgaan. In totaal hebben 89 telers de vragen beantwoord, waarvan 43 met tomaat, 25 met paprika, 7 met aubergine en 7 met komkommer. Daarnaast zijn er 10 telers bezocht. Er zijn exemplaren verzameld en door een Europese specialist op soort niveau geïdentificeerd.

Twee soorten

Er zijn twee schadelijke soorten aangetroffen: Pseudococcus viburni in paprika, aubergine en tomaat en Phenacoccus solani bij een paprikateler.
P. viburni is de meest voorkomende soort in Nederlandse groenteteelten onder glas. Deze komt oorspronkelijk uit neotropische gebieden. Onder kascondities duurt de ontwikkeling één à twee maanden. Deze soort kan goed tegen de kou en overwintert meestal als eerste nimfenstadium in de schors of in de grond.
Eén paprikateler vond een plek met P. solani. Het is de eerste keer dat die in een Nederlandse groentekas is gevonden. Deze soort is wereldwijd verspreid. In Spanje is het een belangrijke plaag in paprika. Hij lijkt op het eerste gezicht iets witter dan P. viburni. De soort is polyfaag en kan zich vestigen op meer dan dertig plantenfamilies. Deze wolluis ontwikkelt zich in 15 tot 33 dagen bij een temperatuur tussen 20 en 30ºC.

Jaarrond gevonden

Een van de vragen was of telers ooit last hebben gehad en of nog hebben van wolluizen. Uit de enquête blijkt dat deze plaag jaarrond in de hele kas voorkomt als de verspreiding niet op tijd wordt gestopt. Slechts 40% van de telers die de vragenlijst beantwoordden, slaagden erin de beesten uit te roeien. Bij enkele telers spreidde de plaag zich sterk uit en lukte het niet om deze in te tomen met de genomen maatregelen.
Het probleem is het grootste in tomaat. Van de 43 deelnemende telers hebben 19 telers problemen gehad en is het bij 11 telers nog aanwezig. Bij de deelnemers aan de enquête groeide het areaal besmette teelt van 7 ha in 2013 naar 10 ha in 2015.
Aangetaste planten geven ongeveer 10% minder rendement. Zeker net zoveel geld zijn telers kwijt aan het zoeken en bestrijden van de plaag.

Bestrijdingsmethoden

Hygiëne en op tijd signaleren blijven de eerste stappen van de bestrijding. Telers blijken creatief te zijn om de wolluis te signaleren en markeren. Ze verminderen de aantasting door stomen van de ondergrond, branden van de aangetaste stengels en het gebruik van insectenlijm op de matten en kasstructuren.
De meeste telers bestrijden pleksgewijs. Telers die jaarrond problemen hebben, spuiten twee tot drie keer volvelds bij aankomst van de jonge planten. Op deze bedrijven komen steeds nieuwe kolonies te voorschijn, ook na het ontsmetten van de kas. De vrouwtjes ontsnappen aan de bestrijding en verstoppen zich in de kasstructuren (vaak naast de meterkast). Jonge larven, de crawlers, worden meteen op de jonge planten waargenomen.
Veel telers gebruiken de neonicotinoïden Calypso of Gazelle met sterke uitvloeiers om de bestrijding te verbeteren. De wolluishaarden worden twee tot vier keer achter elkaar bespoten met een interval van vier tot zeven dagen, afhankelijk van het aantastingsniveau. De oude haarden worden iedere vier weken gecontroleerd.

Ontbreken strategie

Een duidelijke biologische bestrijdingsstrategie ontbreekt. Uit de enquête blijkt dat ervaringen met biologische bestrijders nog zeer beperkt zijn en introducties van natuurlijke vijanden vaak te laat en met te weinig predatoren zijn uitgevoerd. Groentetelers willen het liefst biologische oplossingen om residu op hun producten te beperken, maar deze aanpak moet wel effectief zijn. De rol van natuurlijke vijanden en groene pesticiden wordt dan belangrijk in een toekomstige geïntegreerde aanpak.
Diverse onderzoekers van firma’s en onderzoekinstituten werken aan het probleem en hopen snel effectieve en betaalbare bestrijdingsmethoden aan telers aan te bieden. Biobest experimenteert dit jaar met predatoren. Larven van Cryptolaemus (lieveheersbeestje) en van gaasvliegen lijken potentie te hebben. Ze kunnen de eerste haarden opruimen, maar de biologische inzetstrategie moet nog worden gefinetuned naar betaalbare oplossingen voor telers.
Vanuit de literatuur zijn er ook enkele sluipwespen bekend, die deels commercieel verkrijgbaar zijn. Dit zijn echter nog geen oplossingen voor de korte termijn.

Praktijkadvies

Op basis van de enquête, het literatuuronderzoek en de praktijkervaringen is er een voorlopig advies mogelijk om de ontwikkeling van wolluis te voorkomen of te remmen.
1. Hygiëne
Spuit de aangetaste planten en besmette zones voor de teeltwisseling drie of vier keer met neonicotinoiden in combinatie met een superuitvloeier en/of verwijder aangetaste planten en ruim ze op in vuilniszakken.
Verwijder de oude teelt en plantenresten.
Ontsmet grond en teeltsubstraat.
Reinig de hele kas met formaline of waterstofperoxide en ontsmet materialen.
Vernieuw het substraat elk jaar.
Inspecteer plantmateriaal goed bij aankomst op het bedrijf.
2. Scouten en monitoren
Detecteer snel de eerste wolluisplekken. Ze verbergen zich in spleten en scheuren onder doeken, matten, goten, gootranden en tussen buisrailsteunen en kasopstanden.
Informeer en instrueer het personeel.
Markeer de besmette planten en besmette tralies met linten.
Gebruik gele vangplaten met seksferomonen om de mannetjes waar te nemen.
3. Fysieke bestrijding
Verwijder geïnfecteerd materiaal, bladplukken (stengel kaal maken).
Spuit met een zeep of een olie.
4. Bespuitingen
Het bestrijden is een kwestie van geduld, monitoring en volharding. De crawlers zijn makkelijk te doden maar de volwassen vrouwtjes zijn moeilijk te bestrijden met insecticiden vanwege hun beschermende waslaag.
Voor een goede, langdurende bestrijding wordt het gebruik van breedwerkende middelen met een werking tegen wolluis aangeraden. Let op: niet te gebruiken naast biologische bestrijders.
Middelen met een systemische werking, via de plantensappen, zijn vaak effectiever.
Spuit frequent omdat de haarden vaak terugkomen op dezelfde plek (blokken van 3 bespuitingen met een 7 tot 14 daags interval, herhalen na 6 weken indien nodig).
Goed stengels spuiten. Wolluizen zitten vaak in de oksels.
Gebruik een uitvloeier om de plaag goed te raken en zijn waslaag aan te tasten.
Gebruik veel water.


Praktijkproef voor betaalbare strategie

Op een tomatenbedrijf dat anoniem wil blijven, vindt een praktijkproef plaats door Biobest. Alex, de gewasbeschermingsspecialist, zorgt voor de gewasbescherming en begeleidt de proef intern. “Ik kende het wolluisprobleem al vanuit de potplanten. Je mag dit probleem niet onderschatten. Telers durven er niet voor uit te komen, omdat er een taboe op rust.”

Naast een goede hygiëne bij de teeltwisseling, probeert hij door andere maatregelen verspreiding tegen te gaan: door branden, via het aanbrengen van lijmen – waardoor de wolluizen niet naar boven kunnen kruipen – vangplaten en chemisch ontsmetten aan het begin van de teelt. “We branden de wolluizen aan de onderzijde van de stam weg met behulp van een gasbrander, die we op een wagentje hebben gemonteerd. Nadeel is de brandschade.” Verder legt een medewerker zich toe op het maandelijks scouten en het markeren van haarden met linten. Hij bestrijdt de haardjes met een flitsspuit met Gazelle.
Dit jaar loopt er een proef op het tomatenbedrijf. De onderzochte opties zijn: inzetten van Cryptolaemus larven, inzetten van gaasvlieglarven of een ‘standaard’ met pleksgewijze chemische bestrijding. De bedoeling is om aan het einde van het jaar een betaalbare strategie te hebben om de larven tegen deze plaag uit te kunnen zetten.


Samenvatting

Wolluis is een opkomen probleem in de glasgroententeelt. Uit een inventarisatie in 2015 blijkt dat er twee soorten voorkomen. Telers pakken het probleem op diverse wijzen aan: hygiëne, spuiten, een mechanische aanpak (branden, lijm, wegvegen) en het inzetten van natuurlijke vijanden. Deze bestrijdingswijzen zijn echter niet afdoende. Vervolgonderzoek loopt.

Tekst: Marleen Arkesteijn, Juliette Pijnakker en Joke Vreugdenhil. Foto’s: Marleen Arkesteijn en Biobest.