Bij Looye Kwekers wordt een pilot uitgevoerd om 3,3 ha tomaten autonoom te telen. Hierbij wordt de teelt aangestuurd door een computerprogramma, waarbij de teler zelf nog een belangrijke rol blijft spelen. Teeltspecialist John van Mil: “Het programma is in ontwikkeling, een grote stap richting autonoom telen is gezet.”

Het is wennen. De plant reageert iets anders en ziet er iets anders uit dan wanneer hij het zelf zou doen. De lengtegroei is minder, de temperatuur in de kas is net wat lager. De plant ziet er naar zijn mening wat gedrongener uit. John van Mil, werkzaam als teeltspecialist bij Looye Kwekers in Naaldwijk, houdt de parameters dan ook goed in de gaten, maar toch is het vruchtgewicht grof genoeg, de groei stabiel en de plant zelf maakt genoeg kilo’s aan. “Je moet het loslaten. Achter deze techniek zit een andere filosofie. Voorheen stuurden we op temperatuur, maar met het computerprogramma Plantonomy sturen we direct op de plant zelf”, legt hij uit.
Sinds de zomer van 2020 werkt het tomatenteeltbedrijf mee aan een pilot van Priva. Ze testen het computerprogramma uit in één van de twee 3,3 ha grote kassen in Naaldwijk. Van Mil weet hoe lastig dat loslaten is. “Ik werk al dertig jaar in de kas. In al die jaren heb ik een bepaald gevoel opgebouwd over hoe tomaten geteeld zouden moeten worden en nu neemt dit systeem het over. In het begin was ik alles dubbel aan het checken, maar je moet erop leren vertrouwen. Automatisering is de toekomst, dus we willen hiermee aan de slag.”

Sturen op verdampingsprofiel

Al tien jaar geleden begon Priva met de ontwikkeling van een autonoom teeltsysteem. Het eerste resultaat dat daaruit voortvloeide was de Top Crop Monitor, dat draaide op sensoren met camera met als doel het klimaat en de irrigatie in de kas te automatiseren. Toch bleek dit niet voldoende te werken in de praktijk. De sensoren bleken zelf invloed te hebben op de plant. “Desondanks werd er in het traject veel geleerd”, vertelt Teus Jan de Jong van de leverancier. “Onze innovator en plantenfysioloog Peter Kamp kwam erachter dat we niet op traditionele metingen moesten sturen, zoals temperatuur en luchtvochtigheid, maar dat we ons moesten richten op verdamping. Hieruit is het nieuwe programma ontstaan.”
De verdamping wordt gemeten aan de hand van het matgewicht en de watergift. De temperatuur en luchtvochtigheid gelden hierbij alleen nog maar als grenswaarden. Het systeem maakt de keuzes die de teler normaal maakt. Hij hoeft dus niet te bedenken bij welke temperatuur hij gaat stoken of hoeveel water hij geeft. Het enige wat hij doet is een teeltstrategie invoeren. Het systeem doet de rest en maakt de keuzes over de dag heen.
“Door de plant op regelmaat te sturen is het mogelijk om verstoringen te voorkomen en de juiste beslissing voor de plant te nemen”, zegt De Jong. “Daarmee geeft het ruimte aan verdere automatisering en kan het keuzes maken die de telers van morgen niet meer op gevoel kunnen. Dit zijn belangrijke stappen richting volledig autonoom telen.”

De plant als sensor

Drie tot vier jaar geleden begonnen de eerste testen met het systeem in het World Horti Center. “Het programma gebruikt het bioritme van de plant. Elke dag gebeurt hetzelfde in de kas en de plant went daaraan. Hierdoor ontstaat er een meer regelmatige groei van het gewas zonder verstoringen. Dit leidt tot een duurzamere manier van telen met meer consistentie en stabiliteit in de gewasontwikkeling. Daardoor zijn zaken als arbeid makkelijker in te plannen en het gebruik van duurzame grondstoffen zoals water, is makkelijker te optimaliseren”, legt De Jong uit. “De plant is hierbij zelf de sensor geworden.”
De methode is inmiddels uitgerold naar commerciële klanten. Van Mil vergelijkt het met een zelfrijdende auto. “Een auto met een autopilot ziet er hetzelfde uit als een gewone auto: stuur, wielen, noem maar op. Als bestuurder moet je de navigatie invullen en de auto rijdt er vanzelf heen. Zo werkt het ook met autonoom telen. Je voert je strategie in en het programma stuurt de kas aan.”
Uiteindelijk is het droomscenario dat de teler zelf een bepaalde productie en kwaliteit kan invullen en dat het programma dat realiseert. De Jong: “Zover zijn we nog niet. We zetten nu de stappen ertussen in.”

Gebrek aan teeltspecialisten

Deze autonome ontwikkeling is hoognodig, stellen beiden. “De aanwas van nieuwe teeltspecialisten daalt, maar ondertussen worden de kassen steeds meer hightech”, zegt De Jong. “Mensen met onvoldoende kennis kunnen niet uit de kas halen wat de potentie is. Dit computerprogramma kan dat wel.”
Van Mil herkent dat. “Het wordt steeds moeilijker om hoger opgeleiden te vinden die in de glastuinbouw willen werken. Daarnaast moeten de jongeren die van school komen, meteen de kas in en er wordt verwacht dat ze alle kennis al hebben. Maar die groene vingers krijg je alleen door ervaring in de praktijk. Ook willen jongeren niet meer 55 uur per week werken. Als het ’s nachts regent denk ik: staan de ramen wel dicht? Terwijl de jongere generatie om 17.00 uur gewoon naar huis en uit wil. Dat er dan een computerprogramma is, die hen ondersteunt en het overneemt op tijden dat er niemand is, is fijn.”

Teler blijft nodig

Want autonoom telen of niet, de teler blijft nodig. Het is niet het programma installeren en de teler kan een week op vakantie. De teler moet aanwezig zijn, moet monitoren, benadrukt De Jong. “Met dit systeem kan een persoon meer hectares aan, maar de teler moet wel blijven opletten en kunnen inspringen bij incidenten. Denk aan ziektes en schade aan het gewas. Dat zijn situaties waarbij de teler en zijn kennis nog heel erg nodig zijn.”
Van Mil heeft er nu een jaar mee gewerkt. De teeltspecialist is tegen een aantal zaken aangelopen, maar dat is juist de uitdaging in een leerproces. Het programma is in ontwikkeling en dat betekent stapje voor stapje vooruit. “We hebben afgelopen jaar veel geleerd en zien potentie in autonoom telen. Autonoom telen is de manier om een stabielere teelt neer te zetten. We hebben nu maar een paar knopjes om aan te draaien. Het zal veel makkelijker worden om het gewas te volgen. Ook zal het duurzamer telen zijn. Als je gelijkmatiger kan sturen, werk je efficiënter en daardoor zal de productie en kwaliteit gelijkmatiger zijn. We willen daarom zeker met het programma verder.”

Tekst en beeld: Marjolein van Woerkom