In samenwerking met LTO en Revaho is een meetprotocol ontwikkeld om de gelijkmatigheid van beregeningsinstallaties te meten. Door dit gestandaardiseerde protocol zijn metingen met elkaar vergelijkbaar. Op enkele bedrijven met twee regenleidingen per 9,60 m zijn metingen aan de gelijkmatigheid verricht (doppen om de meter en dopafgifte 160 l/uur per dop). Hieruit bleek dat het tweede en het vijfde bed met deze beregening te weinig water kregen, met droge stroken tot gevolg.

Op één bedrijf zijn met twee regenleidingen per 9,60 m de droge stroken in het tweede en vijfde bed verminderd door 160 liter doppen om de andere dop te vervangen door 120 liter doppen. Dit is zeker een verbetering van de gelijkmatigheid. Nu ontstaat echter een lichte, droge strook onder de zwevende goot van de 9,60 m tralie. De verwachting is dat hiermee te leven is door wat royaler te gieten.
De uniformiteit van de beregeningsinstallatie is een dagelijkse zorg voor elke teler. Voor een goede waterverdeling met roterende sproeiers is een druk nodig van 2 ato op de dop gemeten. De meest gebruikte roterende sproeiers geven 120 l/uur of 160 l/uur per dop. De neerslag van deze doppen ligt tussen de 20 en 30 l/m2/uur. De dopafstand is meestal 1 m of 1,5 m.
Bij een standaarddruk van 2 ato valt het meeste water het dichtst bij de sproeier. Als er sprake is van een droge strook dicht bij de leiding dan moet de druk worden verhoogd. Door de hogere druk neemt de draaisnelheid van de sproeier toe en valt er meer water dicht bij de leiding.
Bij een goede beregeningsinstallatie mag het drukverlies maximaal 10% bedragen. Bij 10% drukverlies treedt 5% verschil in watergift tussen de doppen op. Het drukverlies is mede afhankelijk van de diameter van de regenleiding. De keuze valt tussen 32 mm of 40 mm diameter van de leiding. Bij grotere kaplengtes (langer dan 80 m) is het beter uit te gaan van twee hoofdleidingen om het drukverlies binnen de norm te houden.

Dirk Jan Binnendijk Tuinbouwadviezen