In de chrysantenteelt was trips jarenlang een van de lastigste plagen. Nu de roofmijt montdorensis op grote schaal toepassing vindt, hebben telers meer grip op het beestje. Door het wegvallen van een flink aantal chemische middelen neemt de druk van andere plagen echter toe, constateert teler Michel Grootscholten. “We steken bewust meer tijd in ingangscontrole en scouten, maar er steekt altijd wel iets de kop op. Veel keus in integreerbare middelen is er helaas niet.”

Over de prijzen voor zijn bloemen heeft hij geen klagen. Nooit eerder werden chrysanten in juli zo goed betaald. “Het plaatje ziet er gelukkig heel anders uit dan in het voorjaar, zeker nu we weer vrijwel helemaal in productie zijn”, zegt Michel Grootscholten van kwekerij MG Grand uit Monster na een voor de sierteelt zeer bewogen eerste half jaar, waarin aanvankelijk veel geld werd verloren.

Montdorensis: prijzig, maar effectief

Om iedere tak maximaal te laten renderen, mag de aandacht voor gewasbescherming niet verslappen. Trips speelt daarin een hoofdrol. Twee jaar geleden vertelden de teler uit Monster en zijn collega Rick van Zeijl van Kamuro Flowers in Onder Glas hoe zij deze plaag onder controle hielden. Grootscholten was in januari 2018 overgestapt op de roofmijt Transeius montdorensis, die cucumeris op grote schaal heeft vervangen. “Montdorensis is wat duurder, maar in combinatie met voermijten werkt ie heel goed”, licht hij toe. “Ik merk wel dat we nu vaker in moeten grijpen tegen andere plagen, zoals luis, rupsen en wantsen. We gebruiken duidelijk minder chemie dan jaren geleden en kunnen daarin ook minder keuzes maken dan vroeger.”
Wantsen en rupsen bestrijdt de teler vanaf medio mei voornamelijk met BotaniGard en Bt-middelen (Bacillus thuringiensis), zoals Turex. Om de werking van de Bt’s te bevorderen, past de teler ook hechters toe. “Chemisch corrigeren kan met Verismo en met Teppeki tegen luis, dat feitelijk het enige product is dat we nog tegen bladluizen kunnen gebruiken. Het is jammer dat Tafari niet meer is toegelaten, want dat viel beter te combineren met biologie.”

Scouten en ingangscontrole

Rick van Zeijl heeft vergelijkbare ervaringen. Anders dan twee jaar geleden zet hij nu wekelijks montdorensis in. Samen met NeemAzal of Azatin, beiden gebaseerd op azadirachtine, houdt de roofmijt trips goed in bedwang. Azadirachtine werkt ook tegen wantsen. Tegen spint wordt, zoals op de meeste bedrijven, twee keer per teelt Phytoseiulus uitgezet.
“Binnen Zentoo volgen we een intensief scoutprotocol, waardoor we plagen snel signaleren en eerder bij kunnen sturen wanneer dat nodig is”, zegt Van Zeijl. “Rupsen en slakken komen we duidelijk vaker tegen dan een paar jaar geleden. Ik vermoed dat zij de voermijten voor montdorensis ook wel waarderen, anders kan ik het niet verklaren. We moeten er daardoor ook wat vaker selectief tegen ingrijpen.”

Ook in winter doorgaan met biologie

Beide telers stellen dat schoon uitgangsmateriaal en een scherpe ingangscontrole essentieel zijn voor een geslaagde teelt. Vanwege het smalle middelenpakket is louter chemische bestrijding nauwelijks mogelijk en moet er een solide biologische basis zijn. “Geïntegreerd telen blijft een uitdaging. We hebben het aardig onder controle, maar onze ambitie rijkt verder”, zegt Grootscholten. “In het najaar spuiten we de gewassen nu nog goed schoon, zodat we aan het einde van de winter de biologie goed kunnen opstarten. Onze wens is om de biologie in de nabije toekomst jaarrond in stand te houden.”

Tekst: Jan van Staalduinen