Chrysantenbedrijf Kiepflower in Nieuwaal test dit jaar twee systemen voor biologische bestrijding van trips. De basis is steeds de roofmijt Transeius montdorensis. In het ene systeem krijgt hij gezelschap van Orius, die op een nieuwe manier bijgevoerd wordt. In het andere van Neoseiulus cucumeris.

Kiepflower heeft drie locaties in de Bommelwaard. Op alle drie is de druk van trips zodanig dat een nieuw systeem welkom is. “We willen zo min mogelijk chemie gebruiken; daar gaat het toch naar toe. Maar trips is daarbij een lastig probleem”, vertelt teeltspecialist Roland van Hemert.
Voorheen zette hij vijf keer de roofmijt T. montdorensis uit, bijgevoerd met voermijten. Vervolgens was geregelde inzet van de biologische middelen NeemAzal en BotaniGard nodig om de populatie binnen de perken te houden. Tegen spint zet hij Phytoseiulus in. Voor de aanpak van luis spuit hij soms Teppeki. In de lage dosering waarin hij het gebruikt, is er geen nevenwerking van dit insecticide tegen trips te verwachten.
“Dit jaar gaan we het anders doen. De bedoeling is om geen NeemAzal en Botanigard meer te gebruiken”, zegt hij.

Roofwants

“We blijven vijf keer montdorensis uitzetten, maar op twee locaties tevens de roofwants Orius, die gevoerd wordt met een nieuwe soort voermijt. Daardoor blijft hij beter in leven en vermenigvuldigt hij drie keer in plaats van de gebruikelijke twee keer”, vertelt hij. Het is een systeem dat verkocht wordt door Royal Brinkman.
Van Hemert: “Vorig jaar is het uitgeprobeerd door een handvol chrysantenbedrijven met een hoge tripsdruk. Zij zagen de tripspopulatie dalen en vonden de roofwants goed terug in de kas. Omdat de roofwants heel gevoelig is, kun je weinig bijspuiten. Dat betekent dat je mineervlieg en luis goed in de gaten moet houden. Dit systeem is daarom wel een uitdaging. Voor rups verwacht ik niet zo veel problemen; die kun je met middelen op basis van Bacillus thurgiensis aanpakken.”

Linten

Op het derde bedrijf wordt een systeem getest, geleverd door Van Iperen: dezelfde inzet van montdorensis en vervolgens in week 2 linten kweekzakjes met de roofmijt N. cucumeris erbij. “Dat is eigenlijk terug naar de aanpak van vroeger. Het is een goedkoper systeem dan het andere”, zegt hij.
Beide manieren van tripsbeheersing zijn pas net ingezet. Nu wordt het spannend hoe het gaat lopen. Vorig jaar begon vanaf week 8 de druk op te lopen. “Dat willen we nu vóór zijn. De soldaten moeten alvast klaar zijn. Door wekelijks te scouten in het gewas en via de vangplaten houden we het goed in de gaten.”

Tekst: Tijs Kierkels, beeld: Wilma Slegers