Veel mensen zijn opgegroeid met de geur en smaak van vanille. Het zit in veel voedingsproducten, frisdrank en parfum. Slechts tien procent is echter natuurlijk, maar de vraag naar dit product groeit snel. Op dit moment is vanille, na saffraan, de duurste ‘specerij’. Een kans voor de Nederlandse glastuinbouw? Een consortium bekijkt of het mogelijk is om dit gewas in kassen te produceren, zowel qua teelttechniek als rendement.

Vanille komt voornamelijk van de gefermenteerde peulen van de tropische klimorchidee Vanilla planifolia. Ook V. tahitensis en V. pompona zijn geschikt, maar deze worden nauwelijks gebruikt. Van oorsprong komt de plant in en rond Mexico voor. Nu komt zo’n driekwart van het gekweekte product uit Madagaskar. De planten groeien er langs bomen of aan T-vormige balken in schaduwhallen.
In veel gevallen verloopt deze buitenteelt redelijk ongecontroleerd volgens gewasonderzoeker Filip van Noort van Wageningen UR Glastuinbouw. Hij bekeek de teelt ter plekke. De handbestuiving moet dagelijks plaatsvinden en dat maakt het een intensieve teelt.

Teelt onder glas

De gewasonderzoeker deed vanaf 2012 verkennend onderzoek en vanaf 2014 met geld vanuit Greenport Aalsmeer. Toen werd een consortium met de naam NederVanille gevormd van vijf telers, een afzetpartij, Barbara Gravendeel vanuit Hogeschool Leiden, Rogier van Vugt van de Hortus in Leiden en twee onderzoekers van Wageningen UR Glastuinbouw. Het idee is om onder gecontroleerde Nederlandse kasomstandigheden een continu aanbod van kwalitatief hoogwaardige en natuurlijk geproduceerde vanille te gaan leveren.
Op dit moment loopt er een tweejarig onderzoek met ondersteuning vanuit het TKI-topsectorproject ‘Nieuwe gewassen voor voeding en farma’. Doel is te onderzoeken of het qua teelt en rendement mogelijk is. Het onderzoek spitst zich toe op de opkweek van stekken, de ontwikkeling van een teeltsysteem, de bestuiving van de bloemen voor peulvorming, de fermentatie van de peulen om de vanille vrij te laten komen en de afzet. Op de locatie in Bleiswijk staat 100 m2 met planten en bij een teler van het consortium staat 500 m2.

Opkweek

Jan Paauw, tuinbouwstudent aan de Hogeschool InHolland bekeek tijdens zijn afstudeeronderzoek onder andere de opkweek. Hij vergeleek drie teeltmengsels die verschillen qua water- en luchthuishouding en met toevoeging van hormonen en compost.
De planten moeten liefst zes tot acht jaar meegaan en dan is een substraat met een goede structuur nodig. De afweging is één substraat voor de opkweek en teelt of twee verschillende substraten. “De keuze van het optimale teeltmengsel moeten we nog maken, maar één van de beproefde substraten lijkt qua lucht- en waterhuishouding aan dat profiel te kunnen voldoen voor zowel opkweek als teelt.”

Bestuiving en teelt

De planten bloeien in Nederland na twee jaar en slechts één keer per jaar tussen maart en juni. Om peulen te krijgen, moet je de bloemen handmatig bestuiven. Dit is erg arbeidsintensief. Alleen in Mexico leeft er een insect dat zorgt voor natuurlijke bestuiving, maar die bestuift te weinig effectief. Bloemen bloeien slechts een gedeelte van de dag. Als je een bloem hebt, moet de bestuiving volgens de gewasonderzoeker op het juiste moment gebeuren. “Je kunt de bloemen tussen 9.00 en 15.00 uur bestuiven. Na 14.00 uur moet je de bloem open pulken, dus na die tijd is het niet meer economisch rendabel”, voegt Paauw toe, die een deel van zijn onderzoekstijd heeft gestoken in bestuiven en tellen.
Van Noort bekijkt daarom ook welk teeltsysteem arbeidstechnisch het meest geschikt is met het oog op de bestuiving en de oogst. De peulen ontwikkelen zich gedurende zes maanden aan de plant en ondertussen groeit de plant flink door. Verder bekijkt hij of er meer bloeispreiding – en dus arbeidsspreiding – mogelijk is door een combinatie van temperatuur, vocht, lichtniveau en teeltsysteem.

Perspectief

Over de onderzoeksresultaten kan de onderzoeker nog niet veel zeggen. Ze zijn voorlopig alleen beschikbaar voor de deelnemende telers. Van Noort heeft net een onderzoeksvoorstel voor de komende twee jaar gereed, om een definitieve keuze te kunnen maken voor de combinatie van substraat en teeltsysteem. Wanneer dit positief uitpakt en ook de afzetkant is geregeld, zullen de vijf telers en een persoon die de verkoop gaat oppakken gezamenlijk een nieuw bedrijf neerzetten voor de productie en afzet van de ‘NederVanille’.

Tekst en beeld: Marleen Arkesteijn