Weerbare gewassen en robuuste teeltsystemen, er is volop aandacht voor. Planten die tegen een stootje kunnen, die niet gelijk ziek worden als er een schimmel, virus of bacterie langs komt waaien. Onderzoekers en het bedrijfsleven hebben de handen ineen geslagen in de zoektocht naar het verhogen van de weerbaarheid van tuinbouwgewassen.

Door de toenemende vraag van consumenten naar milieuvriendelijke en residuvrije producten staat het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen onder druk. Tegelijkertijd, of daarmee samenhangend, vallen steeds meer gewasbeschermingsmiddelen weg. De tuinbouwsector is daarom naarstig op zoek naar alternatieven voor ziekten- en plaagbestrijding.

Wat is weerbaar?

Weerbaarheid is de term. Een moderne benaming voor een haast vergeten natuurlijke status. In de  tuinbouw was de noodzaak van een sterk gewas lange tijd minder belangrijk door de toepassing van chemische middelen. Anderzijds werd de ziektedruk door intensievere teeltmethodes groter. Deze manier van produceren, de snelheid waarmee een gewas in productie komt, de grotere aantallen planten, het kasklimaat, de rassenselectie en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen, hebben stuk voor stuk een rol gespeeld in de mate van weerbaarheid en de gevoeligheid voor ziektes en aantastingen. Nu duurzaam telen tot een marktcriterium is verworden, wint plantweerbaarheid weer aan belang. Bovendien kúnnen telers, door het smaller wordende chemische middelenpakket, niet als vanzelfsprekend meer chemische middelen toepassen. En dan komt de urgentie van een sterk gewas weer naar boven drijven. Tegelijkertijd is er een grote groep telers die het probleem als niet zo nijpend ervaart: “We hebben toch nog chemie? We kunnen toch nog corrigeren?”

Nu duurzaam telen tot een marktcriterium is verworden, wint plantweerbaarheid weer aan belang.

Verbluffend veel activiteiten en onderzoeken zijn momenteel gaande naar de mogelijkheden om planten sterker te maken en dus minder vatbaar te maken voor ziekten en plagen. De vele onderzoeken worden met belangstelling gevolgd. Ze ontmoeten (financieel) draagvlak bij overheden en worden door milieu- en maatschappelijke instellingen toegejuicht. Als het lukt de plantweerbaarheid te verhogen zal het geloof in een gezonde teelt zonder chemie toenemen.

Het meten van plantweerbaarheid is echter lastig. Methodes die hiervoor worden ingezet zijn: scouten op ziektesymptomen, meten van de sporendruk of een ziektetest op bloem- of bladmateriaal (biotoets). In september 2015 is bij de ‘Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen’ een voorstel ingediend voor verdiepend onderzoek voor het meetbaar maken van plantweerbaarheid.

Invloed van licht en substraat

Op diverse vlakken worden parameters gezocht voor het beïnvloeden van de plantweerbaarheid. Zo is er een verband aangetoond tussen licht en plantweerbaarheid. Rood licht, verrood licht en UV-licht blijken invloed te hebben op afweersystemen. Onderzoek naar de plantweerbaarheid in relatie tot licht is gedaan op initiatief van Philips en Wageningen UR. De onderzoekers zeggen: “Wij weten uit de literatuur dat licht niet alleen noodzakelijk is voor de assimilatie, maar dat plantendelen die voldoende licht krijgen, bijvoorbeeld minder last hebben van meeldauw.”

Veel onderzoek wordt gedaan naar substraten die de weerbaarheid verhogen. Een voorbeeld is de injectie met rhizobacteriën. Deze natuurlijke verrijking van het substraat, het zogenaamde Induced Systematic Resistance (IRS), wordt door WUR-onderzoekers als veelbelovend aangemerkt. Ook sturing op endofyten – micro-organismen – ter verhoging van de weerbaarheid, is in onderzoek. En dan zijn er nog de plantversterkers op basis van zeewier, minerale olie, vetzuur, knoflook of sporen van schimmels.

Eind 2014 zijn een groot aantal voorstellen voor fundamenteel onderzoek binnen de ‘Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen’ ingediend bij het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO-Groen). Een van de goedgekeurde voorstellen betreft het project ‘Weerbare chrysantenteelt’. In dit project wordt onderzocht hoe inoculatie van gesteriliseerde bodems met bodemmicro-organismen de gevoeligheid voor bovengrondse plaaginsecten beïnvloedt. Het uiteindelijke doel van dit onderzoek is bodeminocula te ontwikkelen die gebruikt kunnen worden om de weerbaarheid van snijbloemen tegen zowel ondergrondse als bovengrondse ziekten en plagen te verhogen.

De verwachting is dat weerbaarheid via het substraat een steeds belangrijker onderdeel wordt van de bestrijding van bovengrondse ziekten en plagen.

Bodemleven

In een lijvig onderzoeksrapport met de titel ‘Weerbaar substraat’ schrijven WUR-onderzoekers dat weerbaar telen perspectief biedt. Dat blijkt zowel uit feitenkennis in de wetenschappelijke literatuur alsook de praktijkervaringen van telers. De verwachting is dat weerbaarheid via het substraat een steeds belangrijker onderdeel wordt van de bestrijding van bovengrondse ziekten en plagen. Nutriënten in de bodem zijn direct of indirect van invloed op de weerbaarheid van het gewas tegen verschillende ziekteverwekkers. Vooral de kwaliteit en de hoeveelheid organische stof is bepalend voor de samenstelling van het microbiële bodemleven en daarmee ook voor de weerbaarheid. Door organische toevoegingen, in de vorm van compost, wordt het bodemleven beïnvloed. Het substraattype speelt ook een rol. Kokos bijvoorbeeld is rijk aan bacteriën, schimmels en protozoën. In steenwol zijn vooral bacteriën aanwezig. Het is waarschijnlijk dat niet alle substraattypen dezelfde potentie hebben qua weerbaarheid. Er zijn voorbeelden uit de praktijk die dat bevestigen. Zo zijn komkommerplanten die groeien in champost-substraatmatten, een restproduct van de champignonsector, minder gevoelig voor Pythium en meeldauw. In dit substraat, met een hoog organische stofgehalte en actieve micro-organismen, groeit een weerbaarder gewas.

Onderzoekers zelf merken op dat het aantal studies waar via het substraat effecten op bovengrondse plagen en ziekten zijn aangetoond, nog beperkt is. Bovendien zijn de effecten tot nu toe niet afdoende om als alternatief te kunnen dienen voor chemische gewasbescherming. “Maar dat is ook niet waar wij op uit zijn”, zegt WUR-onderzoeker Jantineke Hofland. “Wij zien het meer als een opstap naar een totaalaanpassing van het teeltsysteem. Niet één wijziging, maar meerdere tegelijk. Het hele teeltsysteem moet op de schop. Nu met een aantal voorbeelden is aangetoond dat plantweerbaarheid te sturen is, is het onderzoek toe aan de vervolgstap: de integratie van plantweerbaarheid in een totaalsysteem.”

Twee routes

De weerbaarheid in de plant loopt via twee verschillende routes: de jasmonzuurroute en de salicylzuurroute. De routes zijn genoemd naar de alarmstoffen die worden aangemaakt in een plant na een aanval van een belager. Jasmonzuur ontstaat bij aantastingen door floëemzuigende insecten en schimmels die het plantenweefsel doden en leven op afstervend plantmateriaal, zoals Botrytis en Phytophthora. Salicylzuur wordt gevormd nadat de plant wordt aangevallen door micro-organismen op levend plantmateriaal. Voorbeelden zijn valse en echte meeldauw, roest en schurft.

Plantversterkers zijn middelen die preventief worden ingezet. Ze hebben min of meer de werking van een vaccin. Net als de ziekteverwekkers stimuleren zij de planten om eiwitten aan te maken die de weerstand verhogen. Plantversterkers zijn geen bestrijdingsmiddelen. Ze verhogen de weerstand, maar geven geen garantie dat er geen aantastingen kunnen ontstaan.

Plantversterkers zijn geen bestrijdingsmiddelen. Ze verhogen de weerstand, maar geven geen garantie dat er geen aantastingen kunnen ontstaan.

De plantversterkers die in de praktijk worden toegepast, zijn vooral gericht op het stimuleren van de afweer via de salicylroute. Wageningen UR Glastuinbouw in Bleiswijk onderzoekt plantversterkers. In een komkommerproef werden acht verschillende plantversterkers getest. De toediening gebeurde preventief door bladbespuitingen of door aangieten van de wortels. Het gewas werd opzettelijk geïnjecteerd met meeldauw. Ondanks dat alle planten uiteindelijk werden aangetast, trad wel een vertraging van de infectie op.

Groene gewasbeschermingsmiddelen

Zodra er gesproken wordt over een middel dat goed werkt tegen een ziekte of plaag, moet een aanvraag voor toelating worden ingediend. Bestrijdingsmiddelen moeten een toelating hebben van het Ctgb, College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden. De toelating van zogenaamde ‘groene’ middelen verloopt stroef en traag. Dat komt omdat de Europese regelgeving voor de toelating van biologische gewasbeschermingsmiddelen nog niet is beschreven. Om een snellere beoordeling af te dwingen is Nederland het project Green Deal ‘Groene gewasbeschermingsmiddelen’, gestart. Groene gewasbeschermingsmiddelen zijn middelen van natuurlijke oorsprong zoals planten, micro-organismen of mineralen. Plantversterkers met een voedingscomponent kunnen als meststof toelating krijgen. Hierover oordeelt het NMI, het Nutriënten Management Instituut. Voor de praktijk is het om het even of een product wordt toegelaten als meststof of als gewasbeschermingsmiddel.

Apparaat

Begin dit jaar werd een subsidieverzoek gedaan bij de Rijkdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor een installatie voor het verhogen van de plantweerbaarheid in de glastuinbouw. Het apparaat is bestemd voor het ‘in een kas op biologische wijze verhogen van de weerbaarheid van planten tegen ziekten, waarbij geen chemische stoffen of metalen worden toegepast en waardoor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt verminderd.’ Het apparaat bestaat uit ‘een installatie voor het verhogen van de plantweerbaarheid, exclusief wateropslagvoorzieningen en watergiftsystemen.’

Tekst: Tuinbouwteksten.nl/Suzan Crooijmans. Foto’s: Fotostudio GJ Vlekke, GAPS Photography.

Download het complete dossier, met een overzicht van de belangrijkste fabrikanten en toeleveranciers van plantversterkers (7 pagina’s, pdf).
Download