De trend is onmiskenbaar: natuurlijke vijanden en biostimulanten nemen steeds vaker de plaats in van chemische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmeststoffen. Voor een maatschappij die zich wil vergroenen, is dit een welkome ontwikkeling. Maar ‘groene’ middelen blijken niet altijd echt groen, of helemaal groen te zijn. Het kaf en het koren, hoe hou je ze uit elkaar?

Recent nam de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit een geïmporteerd groen product in beslag dat azadirachtine bevatte. Dat is dezelfde werkzame stof die in onder meer de pas toegelaten natuurlijke tripsbestrijder Azatin van fabrikant Certis en in Neemazal T/S van Nufarm zit. Het geïmporteerde groene product werd uit de handel gehaald, omdat een officiële toelating ontbrak.
Azadirachtine wordt weliswaar gewonnen uit de neemboom en is dus van natuurlijke oorsprong, maar omdat het een officieel geregistreerde werkzame stof met een bestrijdende werking is, is er altijd de plicht om de zuiverheid en de concentratie van die werkzame stof te testen en aan te tonen. Als alles in orde is, wordt een toelating afgegeven. Het uit de handel genomen product bevatte azadirachtine, maar werd neergezet als een natuurlijk middel zonder bestrijdende werking, in feite dus als een plantversterker.

Een bestrijdende werking

“Daar gaat het fout”, zegt Jan Mostert van Certis. Hij is Europees portfoliomanager voor de groene middelen die zijn werkgever op de markt brengt, zoals Azatin, Botanigard en Turex. “Omdat het betreffende product waarschijnlijk officieel geregistreerde werkzame stoffen of sporen daarvan bevatte, is het daarmee een potentieel bestrijdingsmiddel en moet er met het oog op de veiligheid en de effectiviteit bepaalde basisinformatie zijn over de concentratie.”
Hij vermoedt dat het op het moment nog vrij eenvoudig is om met groene producten de regels te omzeilen. “Je ontwikkelt bijvoorbeeld een volkomen natuurlijk zeepje, gebaseerd op bepaalde plantextracten, en verkoopt dat als bladglansmiddel. Ondertussen zitten er werkzame stoffen van natuurlijke oorsprong in met een bestrijdende werking. De teler ziet dat zijn gewas er inderdaad frisser uitziet, mede omdat er dus bijvoorbeeld minder luizen in het gewas zitten. De vraag is natuurlijk of telers het product nu gaan kopen omdat het een natuurlijk bladglansmiddel is, of vanwege die werkzame stof met een bestrijdende luiswerking.”
Het gevaar schuilt in onduidelijkheid over de veiligheid van die werkzame stoffen van natuurlijke oorsprong voor mens en milieu op korte en lange termijn. Als één van die werkzame stoffen ook nog officieel geregistreerd is als bestrijdingsmiddel, moet deze vermeld zijn.

Gecamoufleerd chemisch

Zo kunnen fabrikanten producten op de markt brengen die groen heten te zijn, maar ‘gecamoufleerd’ chemisch zijn. Dergelijke ‘sjoemelbio’ is uiteraard concurrentievervalsing; fabrikanten als Koppert Biological Systems, BASF, Bayer en Certis hebben daar last van. Zij willen uitsluitend natuurlijke middelen brengen die honderd procent betrouwbaar zijn, zowel als het gaat om de werking als om de zuiverheid, de concentratie en de veiligheid voor gewas, mens en milieu.
“Wij en de meeste andere fabrikanten respecteren de wet”, zegt Mostert. “Dat vraagt veel geld en onderzoek om de werking, de oorsprong en de veiligheid aan te tonen en om de officiële toelating als gewasbeschermingsmiddel te verkrijgen. Dan is het jammer als minder serieuze fabrikanten door de mazen van de wet kunnen glippen. Dit ene betreffende product is uit de handel gehaald, maar er zullen nog wel andere groene middelen zijn waarvan een volledig dossier ontbreekt, of die heel wat minder groen of effectief zijn dan de fabrikant de afnemers wil doen geloven.”
Mede om die reden ging twee jaar geleden het project ‘Groene gewasbescherming heeft de toekomst’ van start (zie www.onderglas.nl/digitaal, februari 2015, pagina 44-45). Dit project heeft als doel de optimale toepassing van het groeiend aantal groene middelen duidelijk(er) te maken.

Geen uniforme regels

Wat ook parten speelt, is het gebrek aan uniforme regelgeving binnen de Europese Unie. Zo heeft Spanje alle plantversterkers verboden, tenzij hun werking waterdicht is aangetoond en er dus een volledig dossier van bestaat. In Nederland is de situatie minder streng.
Mostert: “Als een product geen stoffen bevat die de plantgroei stimuleren op een manier waarop stikstof, kalium en fosfor dat doen, is zo’n product eigenlijk geen echte meststof. Als het product daarnaast geen werkzame stoffen met een bestrijdende werking bevat, is het ook geen gewasbeschermingsmiddel. Dan is het dus een biostimulant, een plantversterker. Dan moet je het nog wel registreren, maar kun je toch vrij gemakkelijk de markt op. Deze situatie geeft ruimte aan fabrikanten die het niet zo nauw nemen.”

Het kaf en het koren

Een dergelijke ‘goedkope’, onveilige route is voor de eerder genoemde fabrikanten niet weggelegd. Wij en zij kunnen dat niet maken, zegt Mostert. “Onze reputaties van betrouwbaarheid zijn heilig. We willen de werking van onze groene middelen hebben bewezen. Om een eind aan oneigenlijke concurrentie te maken, proberen we de EU-wetgeving rondom biostimulanten uniform en sluitend te maken. Daar werken we samen aan binnen de European Biostimulants Industry Council.”
Lastig is overigens wel dat die noodzakelijke en gewenste wetgeving de komst van nieuwe en goede groene middelen niet in de weg mag staan. De maatschappij wil vergroenen en dus zijn nieuwe, effectieve en veilige middelen gewenst en welkom. Maar soms, weet Mostert, zijn er groene middelen die effectief zijn, maar is (nog) niet duidelijk op welk mechanisme de werking berust. “Dát ze werken, is zichtbaar. Hóe ze werken, is nog een vraag. Zulke middelen moeten uiteraard wel een kans krijgen. Ook dat dwingt ertoe het kaf van het koren te scheiden.”


Ctgb en NVWA

Het Ctgb, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, beoordeelt nieuwe middelen en laat deze wel of niet toe. De organisatie kijkt daarbij naar onder meer de werkzaamheid en de effecten op mens en milieu. Volgens de wet (Verordening 1107/2009 van oktober 2009) mogen gewasbeschermingsmiddelen, zowel van chemische als van natuurlijke oorsprong, alleen op de markt worden gebracht en gebruikt als ze voor dat doel zijn toegelaten. Wie een niet-toegelaten middel aanprijst of gebruikt, is dus in overtreding.
Als een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel op de markt wordt gebracht, is de volledige samenstelling niet bekend. Dan is dus niet duidelijk of deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu. Ook zijn dan geen wettelijke gebruiksvoorschriften vastgesteld, waardoor bij het gebruik, en daarna, gevaar kan ontstaan.
De NVWA, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, is verantwoordelijk voor het toezicht op de handel ín en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Over het recent uit de handel genomen product geeft de dienst geen informatie, omdat deze zaak onderwerp is van strafrechtelijk onderzoek. De NVWA maakt geen onderscheid tussen groene en andere middelen.


Samenvatting

Groene middelen blijken niet altijd zo groen te zijn als de fabrikant belooft. Ook komt het voor dat dergelijke middelen zonder toelating op de markt verschijnen. Informatie over de effectiviteit of over de veiligheid voor mens en milieu en het juiste gebruik is dan niet beschikbaar. Dit brengt risico’s met zich mee en leidt tot oneigenlijke concurrentie voor de bonafide fabrikanten van groene middelen. Zij proberen te bevorderen dat uniforme EU-regelgeving hiermee afrekent.

Tekst: Jos Bezemer. Foto’s: Wilma Slegers.

Gerelateerd