Hoe kun je de weerbaarheid van planten tegen ziekten en plagen ‘aanzetten’. Kirsten Leiss van Wageningen University & Research zette vorige week donderdag voor de Koninklijke Nederlandse Plantenziektenkundige Vereniging (KNPV) de huidige inzichten handzaam op een rij.

Plantweerbaarheid is een belangrijk onderdeel van de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 van de ministeries van LNV en I en W. En ook in de sector groeit de belangstelling gestaag. De mogelijkheden nemen toe omdat de inzichten voortdurend groeien: van een wat vaag begrip in het verleden is plantweerbaarheid geëvolueerd tot iets wat je kunt meten en beïnvloeden.
Leiss benadrukte in haar lezing, die online plaatsvond, dat weerbaar telen begint met de optimale teeltomstandigheden en een goede match met andere gewasbeschermingsstrategieën, bijvoorbeeld de inzet van biologische vijanden. Ook de rassenkeuze is erg belangrijk. “We hebben 80 chrysantenrassen getoetst op vatbaarheid voor trips. Als je kiest voor een heel vatbaar ras, hoef je van de weerbaarheid niet veel te verwachten”, gaf ze aan.

Drie afweermechanismen

Vervolgens kun je inspelen op de natuurlijke afweerroutes die de plant heeft. Er zijn drie hoofdroutes, die worden aangestuurd door de hormonen, salicylzuur, jasmonzuur en ethyleen (zie illustratie). De hormonen zetten een reeks aan reacties in werking, die morfologische of chemische plantenkenmerken sturen die betrokken zijn bij de afweer. Langzamerhand wordt duidelijk welke chemische stoffen dat zijn. Leiss ontdekte eerder dat chlorogeenzuur bij chrysant een belangrijke rol speelt. Resistente rassen bevatten meer van deze stof. Ook bij gerbera zijn inmiddels stoffen gevonden die een rol spelen bij de weerstand tegen echte meeldauw.
Naast de chemische verdediging kent de plant ook morfologische afweermechanismen. Op jong blad van roos zitten veel wasspikkels die water afstoten. Daardoor krijgt meeldauw minder kansen. Bij gladiool belemmeren bobbeltjes op het blad tripsaantasting. Rassen met minder van zulke bobbeltjes zijn duidelijk vatbaarder.

Weerbaarheid meten

Leiss: “Het is steeds beter mogelijk om de plantweerbaarheid in onderzoekssituaties te meten. Je kunt kijken naar de morfologische kenmerken – zoals was en bobbeltjes – en naar de chemische. De genoemde afweerstoffen zijn te meten, maar ook de concentratie aan hormonen of enzymen die belangrijk zijn in het afweerproces. En als je weet welke genen verantwoordelijk zijn voor de afweer, kun je hun activiteit meten.”

Weerbaarheid aanzetten

Vervolgens is de interessante vraag natuurlijk of je de weerbaarheid ‘aan’ kunt zetten. Ook dat blijkt mogelijk. Je hebt daarvoor de juiste prikkel (in het Engels elicitor) nodig. Er zijn verschillende wegen: abiotisch zoals chemisch of een lichtbehandeling of biotisch, zoals biologische organismen.
“Je kunt bijvoorbeeld stoffen nemen die analoog zijn met de hormonen jasmonzuur of salicylzuur. Chrysanten behandeld met zo’n stof, lijkend op jasmonzuur, werden aanzienlijk minder aangetast door trips”, vertelt ze. “Wel waren er rasverschillen. Bij vatbare rassen werkte het goed; bij een redelijk resistent ras was er nauwelijks effect.”
Zo’n stof die sterk op jasmonzuur lijkt, is coronatine, geproduceerd door de bacterie Pseudomonas syringae. De productie is echter duur en moeilijk. Je zou in principe de plant ook met de bacterie zelf kunnen enten, maar omdat het een ziekteverwekker is, kan het averechts werken: de plant lijdt dan onder de bacterie.

Middelen op de markt

Een analoog van salicylzuur is inmiddels op de markt onder de merknaam Inssimo. Hij is geregistreerd als fungicide en wordt bijvoorbeeld ingezet tegen Japanse roest in chrysant en meeldauw op groenten en fruit. “We hebben in proeven met verschillende gewassen de mate van meeldauw bij behandeling met Inssimo nog sterker terug zien lopen dan bij een chemische aanpak”, zei Leiss.
Andere middelen die al op de markt zijn en als elicitor werken zijn Vacciplant en Fado. Dit zijn geen analogen van hormonen, maar meervoudige suikers (polysachariden).
Een voorbeeld van een biologisch elicitor is Serenade, gebaseerd op de nuttige bacterie Bacillus subtilis, ingezet in vollegrondsgewassen, sierteelt en groentegewassen. Onderzoek van microbiologe Marta Streminska van WUR laat een sterke reductie van Fusarium in lisianthus zien. Serenade zet de salicylzuur-afweerroute aan.

Lichtbehandeling

Tot slot biedt ook behandeling met UV-straling mogelijkheden. “UV-B strest de plant en daardoor maakt hij fenolen aan. Als we tomaat dagelijks een half uur behandelden met UV-B nam de schade door trips flink af. Dit werkte tot drie weken na de behandeling. We zagen dat een gen actief werd dat normaal door de jasmonzuur-route wordt getriggerd”, aldus de onderzoekster.
Ook de verhouding rood/verrood licht is van belang. Meer rood, gecombineerd met meer verrood, geeft bij aubergine zowel een hogere productie als minder meeldauwaantasting. De gevoeligheid voor Botrytis nam echter wel toe. “Dit is te ondervangen door te spelen met de lengte van de behandeling en het tijdstip van de dag. Drie uur verrood ’s middags of ’s avonds voorkwam botrytisproblemen in tomaat.”
De inzichten zijn de afgelopen jaren duidelijk gegroeid maar er staan nog veel vragen open. Zoals de interactie tussen de afweerroutes en de verschillende elicitors. En de juiste toepassing in de praktijk: bij jong of ouder gewas, frequentie van de behandeling en metingen in de praktijk.

Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in deze twee artikelen:

Artikel 1: LED-kleur heeft invloed op insecten en plantweerbaarheid

Artikel 2: Zicht op weerbaarheidsstoffen geeft tal van nieuwe mogelijkheden

Tekst: Tijs Kierkels, beeld: Studio G.J. Vlekke en Wilma Slegers