Een consortium van Wageningen UR Glastuinbouw en telers onderzoekt de mogelijkheden om het gewas vanille te telen in Nederland. Uit de eerste ervaringen en praktijkproeven blijkt dat de teelt zelf perspectiefvol is, mits een aantal hobbels wordt overwonnen. Het consortium werkt nu aan een breder onderzoek dat ook de marktaspecten meeneemt. In het nieuwe onderzoek wordt nog een aantal andere gewassen meegenomen die interessante inhoudsstoffen leveren.

Zo’n 2,5 jaar geleden kreeg onderzoeker Filip van Noort van Wageningen UR Glastuinbouw stekken van de vanilleplant – een orchidee – uit Oeganda. “We zijn met een stuk of tien planten begonnen in de Daglichtkas in Bleiswijk. Ook één van de telers heeft een eigen proefkas”, vertelt hij. “De groei gaat goed. Je kunt vrij snel grote planten telen. In bloei trekken is wat lastiger en zeker de bestuiving is een punt. In de (tropische) oorsprongslanden gebeurt dat met de hand. Dat wil je niet in Nederland.”
Na de bestuiving vormen zich de peulen, in gefermenteerde vorm is dat de vanille. Ook alle peulen aan de plant houden is nog een uitdaging, geeft Van Noort aan. Maar hij is optimistisch over het welslagen van de teelt. Nieuw (publiek-privaat) onderzoek, dat op dit moment nog niet is gegund, moet vervolgens zicht geven op de rentabiliteit en de marktkansen. Het is de bedoeling hierin nog andere gewassen mee te nemen die inhoudsstoffen leveren. Dat zijn twee soorten planten, die de natuurlijke verfstof indigo leveren; een orchidee voor medicinaal gebruik en enkele soorten orchideeën die in China als thee worden gebruikt en nu in het wild worden verzameld.

Tijs Kierkels