Het verwelkomen van een nieuw ras in het assortiment is altijd weer een bijzondere aangelegenheid. Starten met het telen van een nieuw ras is leuk en spannend tegelijk. Steeds is er vooruitgang. We telen nu rassen die in vergelijking met 15 jaar geleden beter zijn qua teeltsnelheid, compactheid, aantal bloemen, wortelontwikkeling, koude tolerantie enz.
Het bijzondere is ook dat een nieuw ras bijna altijd een verbetering is ten opzichte van rassen die we al jaren telen. Bijvoorbeeld omdat een nieuw ras sneller en ‘makkelijker’ te telen is of dat alle signalen erop duiden dat het ras een hit wordt bij de consument, vul maar in.
Maar nu komt de kritische noot: Welke parameters doen mee om van tevoren te berekenen, of op zijn minst goed in te schatten, dat een ras meer oplevert en beter past in het assortiment? Wanneer een ras aantrekkelijker is en een kortere teeltduur heeft, is de berekening snel gemaakt. Maar wat komt er onder de streep te staan wanneer dit ‘bijna perfecte’ ras toch meer gevoelig is voor plaaginsecten? Er wordt een begin gemaakt met een nieuw ras en de aantallen worden opgeschroefd. En dan blijkt dat er meer biologische bestrijding en meer arbeid voor gewasbescherming nodig is om de plaagdruk te blijven beheersen.
En dat ik nu weer over die plaaginsecten begin, is niet zomaar. Dit weegt en gaat in de toekomst nog veel zwaarder wegen als het gaat om nieuwe rassen. Veredelaars zullen hun best moeten doen (en doen dit al) om in de toekomst meer informatie te geven hoe gevoelig een nieuw ras is voor bepaalde insecten.
Aan de andere kant zullen we als telers de uitdaging aan moeten gaan om nieuwe rassen die lastig zijn met betrekking tot de plaagbeheersing toch te blijven telen. Niet te snel een ‘goed’ ras aan de kant zetten. Ik ben bang dat dit dan de vooruitgang op het gebied van het maken en telen van mooie rassen in de weg gaat staan en we de tuinbouw en de consument tekort doen.
Het moet leuk − en het zal spannend − blijven.
Ed Konijn, teeltmanager bij Stolk Brothers in Bergschenhoek










