Rob Wubben van Elstgeest Potplanten in Nieuwe Wetering heeft inmiddels vijf jaar ervaring met Het Nieuwe Telen (HNT). Niet zozeer om energie te besparen, maar vooral om het klimaat voor de planten zo constant mogelijk te krijgen en houden. Dat resulteert in een betere plantkwaliteit en -weerbaarheid, zegt de teeltmanager. “Voorkomen dat planten in de stress schieten, dat is ons voornaamste doel. De energiebesparing is mooi meegenomen.”

Elstgeest Potplanten (20.000 m² glas) is gespecialiseerd in de teelt van Dieffenbachia, hangplanten, Ludisia (een aardorchidee) en Trifolium (een winterharde tuinplant). Dieffenbachia is het hoofdproduct, in de potmaten 8,5 tot 35 cm, in meer dan twintig soorten. Daarnaast vijftien soorten hangplanten op een tweede teeltlaag en acht verschillende soorten Ludisia.
Van de orchidee en de hangplanten worden zowel stekken als eindproduct gemaakt, van de andere planten worden de jonge planten ingekocht. De strategie luidt: duurzaam en marktgericht produceren, grootschalige productie van bijzondere planten, plantconcepten onder vier handelsmerken, afzet via de veiling naar Europese tuincentra, luxe bloemisten en retail in de hogere prijsklassen. Het 75-jarige bedrijf is MPS-A, GAP, SQ en Product Proof gecertificeerd. Rob Wubben: “Wij houden een 24-uursregistratie van alle gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en van ons energieverbruik bij”. Gewasbescherming is maximaal biologisch (geïntegreerd).

Kas- en plantbalansen

Duurzaamheid krijgt sinds anderhalf jaar steeds meer aandacht van het management van Elstgeest Potplanten, waar Wubben als operationeel directeur deel van uitmaakt. “Het Nieuwe Telen is daar een onderdeel van. Ik ben er vijf jaar geleden mee begonnen. Niet primair om energie te besparen, maar vooral om beter te snappen wat ik aan het doen ben met de klimaatinstellingen. En hoe je de verschillende kas- en plantbalansen kunt beïnvloeden. Het levert uiteindelijk wel wat energiebesparing op, maar dat is voor ons nooit het einddoel geweest.”
Het aardgasverbruik ligt nu op gemiddeld 38 m³/m². Elektriciteit voor de belichting is afkomstig van een WKK, er wordt geen stroom aan het net geleverd. CO2 komt van de CV-ketel in combinatie met een buffertank. “We streven naar een zo hoog mogelijke score binnen MPS. We proberen in de groene potplanten in de top mee te draaien. Een A-score is voor ons het minimum, wij streven naar A+.”
De belichting bestaat uit SON-T lampen (50 µmol/m².s); op 500 m² wordt proefgedraaid met 100% LED (100 µmol/m².s). “Met de LED’s zijn we op zoek naar een spectrum waarmee we de plantvorm beter kunnen beïnvloeden. Deze lampen kunnen dimmen, we kunnen dus naar behoefte sturen. Je hebt minder stralingswarmte, waardoor je langer kunt belichten. We kunnen veel sneller schakelen, zeker onder wisselende omstandigheden. Met SON-T zit je toch altijd met wachttijden.”

Meer schermuren

Sinds HNT zijn intrede deed gaat de teeltmanager anders om met zijn schermen. “Die jaar geleden is een energiescherm (Luxuous) en een diffuus scherm (Harmony) geïnstalleerd. “We kunnen heel precies kieren, van 0 tot 100 procent, maar snel is het niet. Je hebt schermen die in 5 minuten van 0 naar 100 procent kunnen gaan. Bij ons duurt dat 20 minuten. We kunnen dus niet heel snel reageren op een veranderende licht- of vochtvraag.”
Ze hebben wel hun schermstrategie veranderd sinds ze met een uitstralingsmeter werken, vervolgt Wubben. “Daarmee hebben we het inzicht gekregen dat je aan het eind van de dag, maar soms ook ’s morgens, het doek beter dicht kunt houden om zo de uitstraling te temperen. Het aantal schermuren is sinds HNT toegenomen. Hoeveel precies durf ik niet te zeggen. Daardoor hebben we mogelijk minder schade in het gewas gekregen, omdat die plant toch wel reageert op die uitstraling.”

Tweede krijtlaag

Tot zes maanden geleden hing er binnen nog geen PAR-meter. “We meten nu zowel het lichtniveau binnen als buiten. Wat er binnenkomt is natuurlijk het belangrijkste.” Heeft dat al gevolgen gehad voor het lichtniveau in de kas? “Nog niet, maar dat is wel een van de dingen die we verder willen onderzoeken. Vanouds wordt hier altijd heel voorzichtig geteeld en veel licht weg geschermd, wat mogelijk groei kost. We willen kijken of we meer licht kunnen toelaten en hoe de plant daarop reageert.”
Wubben zit nu op 150 tot 200 W/m² PAR-licht. Tussen week 10 en 12 gaat een eerste laag krijt op het dek, in week 22 volgt een tweede laag. “Onze cursusleider van HNT stond er af en toe wel van te kijken: jullie zijn aan het telen in een hele donkere kas, in een schuur.”

Vochtiger telen

Sinds HNT durft de teeltmanager ook vochtiger te telen. “We kijken daarbij steeds meer naar absoluut vocht. Vroeger deden we meer aan vochtafvoer door temperatuurverhoging in combinatie met een kier in het schermdoek. Nu zijn we dat juist aan het omdraaien: we kijken eerst wat er buiten de kas gebeurt en als ik mijn luchtramen open of ik überhaupt wel aan het ontvochtigen ben. Als dat niet voldoende is zetten we een kier in het bovenste doek. Dan ben je meer bezig met convectietechnieken.”
Voor dat doel heeft hij bij sommige planten Sigrow-sensoren geïnstalleerd die zowel het PAR-licht als de luchttemperatuur en de potvochtigheid op plantniveau meten. “Die klimaatbox is eigenlijk een heel lomp meetinstrument – er hangt er een op elke 2 tot 3.000 m² – op een meter hoogte boven de tafels. Dat geeft niet altijd goed weer wat er zich tussen het gewas afspeelt. Soms zegt de meetbox dat de omstandigheden stressvol zijn voor de planten omdat de RV te veel naar beneden zakt, maar dan blijkt de RV tussen de planten wel op peil te blijven. Dat was voor ons heel leerzaam.”
Met een planttemperatuurmeter volgt hij of de planten geen stress hebben. “De groei moet het hele jaar doorgaan, zo constant mogelijk, ongeacht de buitenomstandigheden. Zeker bij een schaduwplant als Dieffenbachia heb je eerder te veel licht dan te weinig. CO2-niveau, temperatuur en luchtvochtigheid zijn daarom veel belangrijker. Daar sturen we op.”

Invloed op weerbaarheid

Wubben is ervan overtuigd dat de betere kas- en plantbalansen leiden tot sterkere planten, die minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen. Maar heeft dat geleid tot een lager gebruik van chemische middelen? “Dat is lastig meetbaar, want als er veel tripsdruk aanwezig is ga je niet minder spuiten. Vorig jaar hadden we een mooi voorjaar waardoor de trips zich sneller en harder kon ontwikkelen. Maar mijn gevoel zegt dat de planten dankzij HNT sterker zijn geworden. Daar ben ik absoluut van overtuigd. De middelen die we vijf jaar terug gebruikten zijn er al bijna niet meer. Nu telen we bewust geïntegreerd. Dat maakt een vergelijking lastig.”

Tekst en beeld: Mario Bentvelsen