Om het gietwater steeds te kunnen recirculeren heeft tomatenbedrijf Den Berk al zijn creativiteit aangesproken. Teeltverantwoordelijke Tom Beyers vertelt over de elementen van het systeem: goed uitgangswater, ontsmetting, gebruik van natriumarme meststoffen, op tijd de drainsilo’s leegtrekken en de bemesting mede sturen aan de hand van plantsapanalyses.

De Vlaamse tuinbouw heeft op het moment te maken met strengere regels voor het lozen van bemest water dan de Nederlandse. Terwijl nullozing in Nederland pas over tien jaar aan de orde is, moeten de Vlaamse collega’s daar nu al mee dealen. De handhaving is bovendien streng: er zijn heel veel meetpunten in de sloten. Dat betekent dat er veel ervaring wordt opgebouwd, waar de collega’s over de grens wellicht ook hun voordeel mee kunnen doen.

Drainwater uitrijden

“Het Vlaamse Mestactieplan MAP verbiedt de lozing van nutriëntrijk water helemaal. Er is maar één uitweg: drainwater uitrijden over grasland. Dat betekent dan wel voor de eigenaar van het grasland dat het van zijn bemestingsruimte af gaat”, vertelt adviseur Guy Pluym van toeleveringsbedrijf Sanac. “Voor ons is dat geen optie”, zegt Tom Beyers van Den Berk. “Je moet iemand laten komen om de drainsilo’s leeg te laten trekken en je moet een boer vinden waar het heen kan. Wij focussen op volledige recirculatie en dat betekent dat elk onderdeel van het systeem aandacht moet krijgen.”
Den Berk in Merksplas (tuinbouwgebied Hoogstraten) telt nu 24,7 ha glas plus een grote verwerkingshal met drie flowpacklijnen en een multihead weger. Het bedrijf is onderdeel van de groep Den Berk Délice, waar nog drie andere bedrijven bij horen. Samen hebben ze zo’n 42 ha glas, waarvan bijna de helft belicht. De concentratie ligt op specialties, hoofdzakelijk binnen de vier eigen merken Miss Perfect, Bellino, Party Mix en Kumato.

Natriumgehalte

Volledig recirculeren vergt het tackelen van twee mogelijke problemen: ziekten in het water en een oplopend zoutgehalte. Alles begint met goed uitgangswater. Den Berk gebruikt zoveel mogelijk regenwater, maar soms is dat ontoereikend. Die situatie deed zich bijvoorbeeld twee jaar geleden voor.
Omdat er in deze regio relatief veel natrium in het grondwater zit, is geleidelijk bijmengen geboden. “Maar ook bij gebruik van louter regenwater loopt het natriumgehalte tegen het einde van de teelt wel op”, vertelt Beyers. “Daarom maken we de drainsilo’s zoveel mogelijk leeg vóór de teeltwisseling. Dan zit het overtollige natrium in de oude matten die we vervolgens laten recyclen. Dat doen we door de laatste week van de teelt regenwater in de drainsilo te pompen. Er wordt dan toch amper drain gemaakt. Zo wordt het zout dat er nog in zit zoveel mogelijk verdund. De sterk verdunde drain kunnen we tijdens de laatste teeltweek gemakkelijk in grote volumes hergebruiken via de mengbakunit. Het restje verdunde drain onderin de silo pompen we dan over naar de teelt die op dat moment loopt.” De belichte en onbelichte teelt worden immers nooit tegelijk geruimd.
Om ziekten te voorkomen ontsmetten ze het water voor de onbelichte en belichte teelt afzonderlijk, telkens met een verhitter en een ECA-unit (die ter plekke actief chloor aanmaakt).

Lozingsregels

De teeltman heeft, ondersteund door adviseur Pluym, veel aandacht besteed aan natriumarme meststoffen. In sommige soorten, bijvoorbeeld bepaalde types calciumchloride of ijzer, kan het gehalte aardig hoog zijn. Om die reden gebruikt hij als ijzerchelaat 6% DTPA, dat juist zoutarm is. Als kaliumnitraat zet hij Multi-K Reci in. In vergelijking met de ‘gewone’ Multi-K GG bevat deze meststof beduidend minder natrium. “Het gehalte is maximaal 300 ppm en dat garanderen we ook. In de praktijk ligt het nog lager, zo’n 150 tot 200 ppm. Als kaliumproducent hebben we de productieprocessen tegen het licht gehouden naar aanleiding van vragen uit de markt naar schonere meststoffen. Door een langere gang door de fabriek raken we het natrium kwijt”, vertelt Marco Molenaar van Haifa.
Pluym ziet nog elk jaar een toename van de vraag naar deze natriumarme kalisalpeter. België loopt voorop bij de omslag, maar ook in Nederland is een grote verschuiving gaande, zegt Molenaar, vanwege de geleidelijke aanscherping van de lozingsregels. In andere landen speelt dit nog minder.
“Wij zijn er heel tevreden over”, zegt teeltman Beyers. “Het helpt ons bij de beheersing van het natriumgehalte en het past goed in het ‘big bag systeem’ dat we hanteren. De big bags worden naar onze wensen samengesteld; daarmee kunnen we in één keer heel vlot de bakken afvullen.”

Plantsapanalyse

Beyers stuurt op grond van de nutriëntengehaltes in giet- en drainwater en plantsapanalyses. “Vroeger lette iedereen alleen op de gehaltes in de drain en paste op grond daarvan bijvoorbeeld de fosfaat- of kaligift aan. Maar als je meer sturingsinstrumenten hebt, ga je efficiënter met meststoffen om. Per saldo betekent dat minder kaliumgebruik en daarmee ook een lagere natriumbelasting”, vertelt Molenaar.
Bij de plantsapanalyse worden de concentraties van nutriënten in jonge en oudere bladeren vergeleken met de norm. Daarbij is vooral de ontwikkeling in de tijd belangrijk. Beyers: “Je moet niet wachten op te lage gehaltes in het plantsap want dan ben je te laat. We blijven tevens kritisch naar de draingehaltes kijken. Vroeger stuurden we daar sterk op. Tegenwoordig zetten we meer geleidelijke stapjes.”

Opnamebelemmeringen

Nu staat tomaat bekend als een gewas dat niet zo zoutgevoelig is en bovendien nogal wat natrium opneemt, wat ophoping in het drainwater tegengaat. Waarom dan toch een natriumarme kalimeststof? “Natrium zit de opname van andere positief geladen ionen (kationen) in de weg. Dat geldt voor kalium, maar zeker ook voor calcium. Op dit gebied wil je geen opnamebelemmeringen hebben in verband met verhoogde kans op neusrot”, geeft Molenaar aan.
De teeltverantwoordelijke vult aan dat ze al een hoge mat-EC hanteren, omdat dat ten goede komt aan de smaak van de specialties. Dan is beheersbaarheid zonder verrassingen heel welkom en daarvoor moet het gehalte ongewenste zouten zo laag mogelijk zijn. Een hoge EC vergroot immers de kans op neusrot, hoewel dat ook sterk rasafhankelijk is.

Tekst: Tijs Kierkels, beeld: Wilma Slegers