Kwekerij Zeestraten in het Gelderse Oosterhout ligt pal tegen de uiterwaarden van de Waal, die teruggegeven zijn aan de natuur. Van daaruit vliegen de insecten onbekommerd de kas binnen. Des te opmerkelijker dat het experiment met de teelt van snijhortensia zonder enige chemie tot nog toe goed verloopt. De broers Jos en Michel zijn zeer gedreven om het tot een succes te maken.

In de hoek van de kas staat nog een laatste vak freesia’s. Tot december, dan komt er een eind aan een teeltgeschiedenis van veertig jaar. Het vak wordt omgebouwd en volgezet met potten snijhortensia. Jos en Michel Zeestraten hebben nu 2,5 teeltseizoen ervaring met deze teelt.
De omschakeling gaat sneller dan gepland door de sneeuwramp die ze begin februari meemaakten. De sneeuw verzamelde zich op het kasdek en was bovendien van een bijzondere samenstelling, hoorden ze later van een meteoroloog die in hun dorp woont. Alle lucht was eruit, waardoor de laag twee keer zo zwaar was als normale sneeuw. De ene na de andere ruit sneuvelde en uiteindelijk stortte een volledige kaswand in.
De freesia’s gingen verloren, de hortensia’s konden geëvacueerd worden. “Toen stonden we voor de keuze: nieuwe freesiaknollen kopen of versneld omschakelen naar hortensia, waar we al mee bezig waren”, vertelt Jos Zeestraten.

Duurzame teelt

De motivatie om op zoek te gaan naar een alternatief voor freesia is tweeledig: ze willen duurzamer telen en minder uitdagingen hebben bij de arbeidsplanning. “Freesia’s moet je koelen, verwarmen en belichten. Dat kost aardig wat energie. Dat is duurzaam op te lossen, maar de investering is enorm. We stonden bovendien op het punt dat we opnieuw moesten investeren in de belichting met LED’s. Snijhortensia kost minder energie en de arbeidsdruk in het weekend is niet zo hoog. Freesia’s moeten eraf als ze rijp zijn, bij hortensia heb je wat speelruimte. En je hebt niet meer het zware werk van rooien en stomen”, vertelt hij.
“In het begin viel het ons wel tegen dat je in hortensia nog aardig wat gewasbescherming nodig hebt. Je was wel twee avonden in de week bezig om trips, luis en spint aan te pakken. De druk is hier groot omdat we zo dicht tegen de natuur aan zitten”, geeft zijn broer Michel aan.
Daarom namen ze, terwijl ze nog weinig ervaring hadden met de uitdagende nieuwe teelt, meteen een volgende stap. Eén ras, Dark Ruby, telen ze zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen. De andere rassen worden ook zoveel mogelijk biologisch geteeld, met af en toe een zacht (integreerbaar) chemisch middel.

Innovatieproject

Ze worden intensief begeleid door adviseurs van Koppert Biological Systems en Mertens en het experiment wordt financieel gesteund door Greenport Arnhem-Nijmegen. Coördinator Radboud Vorage wees hen op de mogelijkheid om een innovatieproject op te zetten en zorgde dat alles in goede banen verliep voor de subsidiëring.
De basis is een uitzetschema voor de natuurlijke vijanden, opgesteld door Tom Konijn van Koppert. Bovendien lopen de adviseurs van beide toeleveranciers bij toerbeurt samen met Jos Zeestraten elke twee weken door het gewas om te scouten en een plan voor de komende twee weken te maken. Een grote tijdsinzet dus, om zoveel mogelijk op het juiste moment in te kunnen grijpen.
Tegen spint beginnen ze met de roofmijt N. californicus. Later strooien ze Phytoseiulus in de haarden die ze ontdekken tijdens het scouten. De basis van de aanpak van trips is de roofmijt T. montdorensis in zakjes, die om de twee à drie weken uitgezet wordt. Luis krijgt te maken met galmuggen en sluipwespen als natuurlijke vijand. Als ondersteuning zetten ze af en toe het groene middel Azatin (een biologisch insecticide) in.
Meeldauw onderdrukken ze met zwavelpotten die ze om de andere dag ’s nachts zes uur aanschakelen. Een karige inzet om de natuurlijke vijanden zoveel mogelijk te ontzien. Het is een aanpak op het randje, maar het gaat goed. De bladeren zien er strak-groen uit.

Aanvankelijk sceptisch

“Deze aanpak kost drie keer zoveel als chemie”, zegt Michel. En wat krijg je ervoor terug? “Een plezieriger gevoel. Een kwalitatief beter gewas, want elke gewasbescherming werkt remmend. Bovendien werken sommige chemische middelen niet meer zo goed. We zijn al sinds 2004 een gecertificeerd bedrijf. Tegenwoordig onder het keurmerk Global Gap en Grasp en tevens FSI-compliant.”
“Ik was vrij sceptisch toen we startten. Je komt toch uit een chemische aanpak die je gewend bent. Maar ik heb er wel vertrouwen in gekregen. De voorlichter zegt ook: het ziet er hier heel goed uit, terwijl ook hij in het begin sceptisch was. Op zijn aanraden zijn we bovendien SilicaPower, een middel met silicium, gaan gebruiken om de plant harder te maken.”
Jammer genoeg is het experiment niet totaal chemievrij verlopen. Dat is een gevolg van de sneeuwramp. De hortensia’s kregen te maken met kou en trek en zijn een paar keer verhuisd. Dat was niet goed voor de weerbaarheid. Hierdoor liepen ze te veel luis op. Dat moest even aangepakt worden met Teppeki, overigens een integreerbaar middel. Zonder de sneeuwaffaire was dit niet nodig geweest.
Overigens gaat ook het experiment met de andere rassen goed. Michel omschrijft het als: “75% biologie plus zachte chemische middelen. Ook daar leren we veel van. We zetten hier wat minder natuurlijke vijanden in en monitoren heel goed. Pas als het nodig is, grijpen we chemisch in. Op grond van die ervaring zou je wellicht bij de 100% biologische aanpak naar wat minder inzet toe kunnen.”

Denken aan de toekomst

Waarom doen ze dit eigenlijk? Gewoon snijhortensia telen is al niet gemakkelijk. De klimaatbeheersing komt zo nauw, dat je het niet aan de klimaatcomputer kunt overlaten. En ook watergeven is een kunst. Eén keer een te late watergift leidt al tot drukkers in de bloem. Biologisch telen is dan de overtreffende trap van moeilijkheid.
Jos: “Je kunt beter die zakjes met natuurlijke vijanden inhangen dan rondlopen in een pak en een masker om een gewasbescherming uit te voeren. En vervolgens loop je zelf weer zeven dagen in de week door een behandeld gewas. Je weet niet wat voor effect dat heeft. Nee, dit is voor ons gevoel beter. En tot nu toe gaat het heel goed.”
“Je moet ook iets durven”, vult zijn broer aan. “Onze manier van leven kan zo niet doorgaan. Je kunt wel zeggen dat je als individu zo weinig kunt doen. Maar het hangt ook van jouw keuzes af.”
Tot slot: “Onze afnemers en de consumenten willen bijna allemaal dat het duurzamer wordt. Dat heeft wel een kostprijsverhogend effect. Het zou mooi zijn als de prijzen dat zouden goedmaken.”

Tekst: Tijs Kierkels, beeld: Wilma Slegers