Bladluizen vormen een structurele bedreiging voor veel gewassen. In een project onderzoeken Sergio Harinck van Vertify en Anita Hazendonk namens Naktuinbouw de genetisch bepaalde weerbaarheid tegen groene perzikluis in chrysant. “Telers zien dat sommige rassen gevoeliger of aantrekkelijker zijn voor luizen dan andere”, vertelt Harinck. “Beter inzicht in resistentiemechanismen en gevoeligheden van rassen kan de resistentieveredeling versnellen en telers helpen bij hun rassenkeuze. In de eerste proef zijn er verschillen tussen rassen gevonden. Vervolgonderzoek moet meer uitsluitsel geven.”
Harinck: “De veredelingssector levert een belangrijke bijdrage aan verduurzaming van de teelt. Omdat er in de chrysantenketen al nauw wordt samengewerkt en het één van de hoofdteelten is binnen de sierteelt, ligt de nadruk vanuit dit project in eerste instantie op dit gewas. We zijn begonnen met een inventarisatie van onderzoeksvragen en ervaren knelpunten in de gewasbescherming bij zowel veredelingsbedrijven als telers. Daaruit bleek dat de beheersing van bladluizen, met name de groene perzikluis, met stip op één staat. Binnen dit project zullen ook Fusarium, Japanse roest, Pythium en Verticillium aan de orde komen.”
Input voor resistentieveredeling
De onderzoeker stelt vast dat er in de praktijk ras-afhankelijke verschillen worden ervaren in luisdruk en populatieontwikkeling. “Onderzoek naar gevoeligheid, intermediair- en hoog-resistente rassen, of zo je wilt naar de aantrekkelijkheid en natuurlijke weerbaarheid van rassen tegen deze plaag, kan waardevolle input opleveren om de resistentieveredeling te versnellen.”
Harinck noemt het bijzonder dat alle chrysantenveredelaars (Dekker Chrysanten, Deliflor, Dümmen Orange, Floritec en Royal van Zanten) meewerken aan het project. “Dat zie je niet vaak, maar ze hebben natuurlijk gedeelde belangen. Samenwerking op dit vlak biedt meerwaarde voor alle stakeholders. Het is heel fijn dat alle veredelaars rassen beschikbaar hebben gesteld.”
Wel of geen keuze bieden
In gezamenlijk overleg is besloten om voor het onderzoek twee methodieken te hanteren. Het protocol van Naktuinbouw is gebaseerd op een zogenaamde open choice. Hiervoor worden alle rassen in negen herhalingen at random op teelttafels geplaatst, zodat de luizen zich gemakkelijk kunnen verplaatsen naar rassen die zij aantrekkelijk vinden.
Het protocol van Vertify is gebaseerd op no choice. Elk ras wordt in een aparte kooi geplaatst, in drie herhalingen. De luizen hebben geen andere keuze dan zich op het beschikbare ras te vermeerderen. Op basis van de populatieontwikkeling kun je na enkele weken vaststellen of die wel of niet wordt gehinderd door ras-eigen mechanismen, zoals een repellent werking of intrinsiek resistente factoren, zoals stugger blad of toxische stoffen.
Grote verschillen, overeenkomstige trends
Het onderzoeksproject FlorFastForward (FFF) is volledig gefinancierd vanuit het EIP-programma van de EU en geïnitieerd door het Platform Versnelling Resistentie Veredeling Sierteelt, dat inzet op verduurzaming van de sierteelt. Dit wordt gedragen door Glastuinbouw Nederland, Greenport Aalsmeer, Naktuinbouw, Plantum, onderzoeksinstellingen, telers en veredelingsbedrijven.
Het verkennende onderzoek beperkte zich tot een kortstondige screening in twintig beschikbaar gestelde rassen. Eén, drie en vijf weken na het inbrengen van de luizen vonden de tellingen plaats.
“We zagen grote verschillen in populatieontwikkeling, vooral in de open choice proef. Bladluizen weten de weg naar aantrekkelijke rassen dus snel te vinden. De trends in beide proeven kwamen overigens goed overeen. In de no choice proef zagen we in dezelfde rassen verschillen in de populatieontwikkeling van de luizen.”
Vervolgonderzoek
In de groentesector is het gebruikelijk dat claims over resistenties tegen ziekten en plagen van rassen onafhankelijk worden getoetst op basis van DUS-onderzoek door Naktuinbouw. Pas daarna kunnen dergelijke claims worden opgenomen in de rasbeschrijvingen. Het FFF-project is mede opgezet om die praktijk naar de sierteelt te halen. Voor zowel luizen als de eerdergenoemde ziekten worden daarvoor specifieke protocollen ontwikkeld. “Dan kunnen onderzoeksinstellingen het protocol gebruiken om resistentieclaims objectief te toetsen”, licht Harinck toe. “In dit verkennende onderzoek hebben we daarvoor een aardige basis gelegd, maar zoals eerder opgemerkt is vervolgonderzoek nodig. Vanaf week 29 worden de proeven 1 op 1 herhaald. Deze beperken zich evenals de eerste reeks tot de vegetatieve groeifase. Aansluitend volgt er een nieuwe proef, waarin de generatieve fase centraal staat. Die is voor telers erg relevant. We komen er later dus graag op terug.”












